Oogbal en hondster

Veel poëzie zit er niet in mijn geheugen. Een enkel kort versje, een paar losse regels, wat leuke rijmparen her en der. Voor de rest doe ik het met trefwoorden. Bijvoorbeeld: ossekerelingswijze. Of: ezelneuk. Of: oogbal. Het zijn de treffende woorden, beelden of gegevens waarmee gedichten zich ooit aan mijn bewustzijn hebben opgedrongen en waaraan de tekst en de bijbehorende ervaring sindsdien in mijn hoofd is opgehangen, als een tabblad aan zijn tabje. Zo is `oogbal' bijvoorbeeld de samenvatting van een ervaring die ik heb opgedaan bij het lezen van J.H.Leopold, bij een van zijn bewerkingen van gedichten van Omar Khayyam:

Duizende dagen doofden er hun licht

in duizend nachten. Dus uw voet zij licht

voor dit dof, glansloos stof; het was eenmaal

de stralende oogbal van een vrouw wellicht.

Als het zo is dat wij stof zijn en tot stof zullen wederkeren, dan kan ieder dof stofdeeltje eerder een bezield lichaamsdeeltje zijn geweest: een teennagel, een wimper, `de stralende oogbal van een vrouw' wellicht. Een verbijsterende gedachte, vond en vind ik. Het doet je anders lopen over strand en straat behoedzamer en aandachtiger. Wie verzint zoiets, wie heeft oog voor zulke allerkleinste details, voor die ene stofkorrel in die onmetelijke woestijnzee, na al die duizende dagen en duizend nachten? Mooi, dat vreemde woord `duizende'. En mooi ook, die tegenstelling tussen dof stof en stralende bal. En knap, dat gebruik van `licht' in drie verschillende betekenissen. Het is in mijn hoofdarchief allemaal opgeslagen onder `oogbal'.

Zo is er ook het trefwoord `hondster'. Het verwijst naar een vergelijkbaar subtiel gedicht, waarin een dichter oog heeft voor wat de stralen van de hondster zouden kunnen schrijven, of stempelen, of afdrukken op een muur. Het gaat om een bladderende muur, dus lang zal die hondsterstempelafdruk niet leesbaar blijven. Verbluffend beeld. Het is te vinden in het midden van een titelloos gedicht van de Italiaanse dichter Eugenio Montale (1896-1981), in de vertaling van Jan Emmens (1924-1971), onder de titel `Een gedicht van Eugenio Montale' opgenomen in Een hond van Pavlov (1969):

Eis van jezelf geen woord dat onze vormeloze ziel

volkomen inlijst en in vuren letters

haar verlicht en schittert als een crocus

verloren in een grasveld grijs van stof.

De man te zijn die in zekerheid wandelt,

bevriend met de anderen en met zichzelf,

zijn schaduw is het een zorg wat de hondster

stempelt op een bladderende muur.

Vraag niet om de spreuk die werelden opent

maar om een lettergreep, knoestig en droog als een tak.

Slechts dit kunnen wij je zeggen vandaag:

dat wat wij niet zijn, dat wat wij niet willen.

Het gedicht is me altijd bijgebleven vanwege die hondster, en dat dan weer omdat ik een sterrenkundige leek ben en dus niet weet waar en wanneer die ster aan de hemel te vinden is en wat de eventuele bijbetekenissen ervan zijn. Blijkbaar zijn er mensen voor wie de hondster een alledaags gegeven is, en zichtbaar zelfs, en nog wel via de afdruk ervan op een muur.

Inmiddels weet ik dat de hondster officieel Hondsster heet, dus met hoofdletter en dubbele s. Andere naam: Sirius. Een van de sterren van de Grote Hond. Niet zomaar een sterretje, maar de helderste ster van de hele hemel. Als er één ster zichtbaar is, dan is het wel de Hondsster. Hij komt tussen 19 juli en 18 augustus tegelijk met de zon boven de horizon – vandaar de naam hondsdagen voor deze periode. Het volksgeloof schreef aan de invloed van deze ster vanouds allerlei kwaad toe, zoals hondsdolheid. Zou die boze bijbetekenis hier nog meespelen? Of de gedachte aan de hondsdagen als heetste, droogste, ongezondste tijd van het jaar? Of is de Hondsster hier alleen maar een toevallige symbolische aanduiding voor het allerkleinste en het vergankelijkste, gevangen in een allertijdelijkst beeld: sterrenlichtschrift op een bladdermuur?

In ieder geval heeft de man in het gedicht van Montale er geen oog voor. Hij is de man die wandelt in zekerheid, die het goed met zichzelf en de wereld getroffen heeft, die nooit omziet en dus ook niet weet wat zijn schaduw achter zijn rug aanricht. Hij heeft geen tijd zich te verdiepen in lichtschrijfsels. Dezelfde tegenstelling is ook elders in het gedicht te vinden: uitgesproken, om niet te zeggen domme zelfverzekerdheid tegenover weifeling en onzekerheid. Het ene woord dat alles wil vastleggen, de letters van vuur en de welluidende spreuk die hele werelden kan openleggen: ze staan hier tegenover de ziel zonder vaste vorm, het grijze stof en de ene lettergreep. De schitterende krokus en de felle zonneschijn tegenover een stoffig veld, schaduw, pleisterwerk en een droge knoestige tak.

Dit is het gedicht van iemand die niet gelooft in grootspraak, de klinkklare oplossing of de kloeke toverspreuk, maar in de negatieve tegenhanger daarvan: in de aarzeling en de ontkenning, in `dat wat wij niet zijn, dat wat wij niet willen'. Het is een miniem programma, een antipoëtica, maar in gedachten vermoedelijk wel door meer dichters onderschreven. Een pleidooi voor de nuance en voor het buitenstaanderschap en tegen het rigoureus doorhakken van knopen: het is bij uitstek een houding voor dichters.

Het is dan ook vreemd zo'n gedicht sterk uitvergroot op een muur te zien. De oorspronkelijke Italiaanse tekst staat alweer vele jaren, sinds 1993, te lezen op de zijmuur van een huis op de hoek van de Pelikaanstraat en de Oude Rijn, in Leiden. Hoog, groot, in een mooie letter, onderdeel van een muurgedichtenproject. Je zou het eerder verwachten in een klein verveloos hoekje op de blinde muur van een afbraakpand in een doodlopend achterafstraatje.

Maar wie zich in de geschiedenis van de dichter en het gedicht verdiept, zal zien dat er onder dit minimalisme een politiek programma schuilgaat. Montale schreef het in de zomer van 1923, in een tijd van opkomend fascisme. Zijn bundel Ossi di seppia (1925) is voor een hele generatie van gelijkgestemden een leidraad geweest, en zijn hondstergedicht gold als het bijbehorende antifascistische manifest: nee tegen het ene woord dat alles rechthoekig wil inlijsten, nee tegen de letters van vuur, nee tegen de zelfverzekerde man die het allemaal al weet en nee tegen de gemakkelijke politieke spreuken waarmee men de wereld wil verklaren. Montales voorzichtige dichterlijke standpuntbepaling was en is ook een ferme afwijzing van alle fascistische grootspraak. Daarom is het toch niet zo gek om dit gedicht hoog en groot op een gevel te zetten, in Leiden of waar dan ook.

    • Guus Middag