Onze eigen kleine overwinningen

Als je jong bent is het noodzakelijk je als een amateur te gedragen. Anders blijf je overal buiten. Tot het te laat is.

Zei ik het laatst toch verdomme wéér. Ik was naar de bioscoop en na afloop kwam ik in de hal een kennis tegen die vroeg wat ik er van vond en zonder erbij na te denken zei ik: ,,Beetje slap verhaal, maar wel allemaal goeie mensen.'' ,,Goeie acteurs, bedoel je'', zei de kennis toen en ik snel ,,ja, natuurlijk'', maar ik loog dat ik barstte. Alleen slechte acteurs waren acteurs, goeie acteurs waren, hoe onecht ook, gewoon mensen – de rest was publiek en buiten de schouwburg, dat `halfway house' tussen kunst en werkelijkheid, the twain should never meet. Zo ben ik niet opgevoed, nee – ook al was ik dan een coulissen-kind – maar zo heb ik het wel begrepen en ik schaam me soms halfdood.

Ook is het nog steeds zo dat ik mij maar met moeite kan bedwingen om niet razendsnel de radio af te zetten wanneer er in een programma opeens gewone mensen aan het woord gelaten worden. Met `gewone' bedoel ik mensen die niet beroepshalve gekwalificeerd zijn om zich over de zaak in kwestie uit te laten, mensen die niet in de wereld-van-alsof maar in die van alledag wonen en die zich bij het uitspreken van hun tekst dus weinig gelegen laten liggen aan timing, intonatie, subtekst of motivatie, mensen die, met andere woorden, samenvallen met hun verhalen: `echte mensen'. Brrrrr.

In de Amerikaanse folk-beweging, met name tijdens haar revival in de jaren zestig, gold deze echtheid nu juist als het keurmerk voor wat ware kunst was. Authenticiteit, als het samenvallen van de boodschapper met zijn boodschap, was de maatstaf voor elke vorm van menselijke expressie – zij het een heel verwrongen idee van authenticiteit, gebaseerd op een heel verwrongen idee van waar het echte leven uit bestond: ontbering, uitsluiting en onderdrukking. Lijden. Stilering en individualisering, laat staan commercialisering, waren daarbij uit den boze. Alleen arme mensen waren echte mensen en hun leven, of beter: de manier waarop zij met hun leven samenvallen, was kunst. Onzin natuurlijk, ethisch zelfbedrog, en, zoals elke vorm van letterlijkheid, niet eens ongevaarlijk. Wanneer je kunst verwart met het leven, heeft niet alleen de kunst daaronder te lijden – voor je het weet zijn er opeens mensen van het toneel verdwenen.

Deze, in politiek gestresste kringen nooit helemaal achterhaalde, `folk'-opvatting van kunst is de hond in de pot. Kunst is niet iets om je eigen identiteit mee te bevestigen. Kunst is er juist om de lijn die je ter markering om je bestaan hebt getrokken voortdurend te overschrijden, een probaat middel om alle identiteiten in op te lossen: transcendentie, transfiguratie, transparantie. Dat is de truc. Niet geschikt voor amateurs. Verboden voor onbevoegden. Hoogspanning! Ontploffingsgevaar!

Dilettant

Waar ik vandaan kom bestond er dan ook geen erger scheldwoord dan `dilettant': kunst als hobby, als kunstje, artistieke kwezelarij. Correct. Aan de andere kant komen de meeste problemen die ik in de loop van mijn bestaan heb ondervonden voort uit het feit dat ik niet goed doorhad dat er in het echte leven andere regels gelden. Of helemaal geen – dat het, zeker als je jong bent, niet alleen best wel oké is om amateur te zijn, maar zelfs noodzakelijk. Anders blijf je overal buiten. En altijd jong. Tot je opeens weer te oud bent.

De situatie is uiterst delicaat. Zoals het leven niet te veel kunst kan verdragen, wil het zijn angel behouden, zo moet de kunst, wil zij nog ergens over gaan, niet al te dicht op de huid van het echte leven zitten. Het is, denk ik, in beide gevallen een kwestie van toon, van stijl, van hoe te beginnen ook. Een goed begin is bijvoorbeeld de manier waarop ik Bruce Springsteen een keer zijn song `Thunder Road' heb horen inleiden. Die titel had hij ontleend aan een film met Robert Mitchum over een stel handelaren in illegaal gestookte whisky. De film zelf had hij nooit gezien, zei hij, `I only saw the poster in the lobby of the theatre'. En of hij dit nou verzon waar ik bij stond, doet er niets toe; dat ene zinnetje vat niet alleen een heel leven samen, het leven van de buitenstaander die zich met de moed der wanhoop een weg naar binnen droomt, het verleent ook alles wat volgt een onuitwisbaar stempel van authenticiteit.

En dan nu het goede nieuws: onlangs las ik een boek dat vol staat met dit soort springsteeneske inleidingen. Met dit verschil – het gaat om een boek, niet een optreden – dat de levens-samenvattende inleidingen hier deel uitmaken van de verhalen zelf, in zekere zin die verhalen zijn. True Tales of American Life heet dit boek, waarvoor de New Yorkse schrijver Paul Auster een selectie heeft gemaakt uit de duizenden verhalen die hij gedurende anderhalf jaar ten behoeve van een radioprogramma had toegezonden gekregen van luisteraars. Jazeker, `luisteraars'! Echte mensen dus, in alle soorten en maten, uit het hele land en van alle gezindten, jong en oud, man en vrouw – maar nu eens niks `brrrrrrr'. Voor een groot aantal van die honderdnegenenzeventig verhalen – die ieder zelden langer maar wel vaak korter zijn dan een bladzijde of drie – laat ik, om maar eens wat te noemen, de hele roman The Corrections van Jonathan Franzen direct vallen als de edelkitscherige baksteen die hij is.

Waargebeurd

Ze moesten kort zijn en waargebeurd, dat waren de enige eisen die Auster stelde aan de bijdragen waar hij om had gevraagd. Dat de waarheid die uit veel van die verhalen spreekt niet alleen zoveel vreemder is dan fictie maar ook zoveel mooier, heeft vooral te maken met de kleine specificatie die Auster nog aan zijn eisen had toegevoegd. Hij wou vooral verhalen lezen waarin de mysterieuze krachten die er in ons leven werkzaam zijn zichtbaar gemaakt worden. In fictie – zal zijn gedachtegang zijn geweest – worden die krachten gereguleerd door de schrijver, volgens het principe je-haalt-eruit-wat-je-erin-hebt-gestopt; ze hebben het gezicht dat hij ze via de machinerie van zijn plot zelf heeft gegeven en aan het einde van het boek zijn ze uitgeraasd. Maar out there, in de plotloze werkelijkheid van ons leven, zijn we doorgaans overgeleverd aan de blinde willekeur van die krachten. Zó blind is hun willekeur dat ze regelmatig in herhalingen vervallen omdat ze weer eens zijn vergeten waar en wanneer ze wat ook weer bij wie hadden aangericht. Met als resultaat het soort vergissingen dat wij mensen – om er nog enigszins chocola van te kunnen maken – `noodlot' noemen wanneer ze in ons nadeel uitvallen, of, wanneer ze in ons voordeel zijn, `genade'.

De verhalen – en alle verhalen zijn hier, kort als ze zijn, levensverhalen – waarin sprake is van zoiets als de hand van God in de vorm van een `toeval dat te toevallig is om toeval te kunnen zijn' zijn ruim vertegenwoordigd in True Tales Of American Life. Maar veel mooier en waarder zijn die waarvan het einde als een deur in de duisternis open blijft staan. Iemand beschrijft, zoals velen in dit boek doen, de belangrijkste gebeurtenis uit zijn leven, een sleutelscène in zijn of haar bestaan, een voorval dat soms maar een paar minuten in beslag nam maar waarbij vergeleken de twintig jaar van zijn of haar leven ervoor en de dertig jaar erna verkruimelen tot een paar happen zand en er is geen verklaring, geen ontknoping, laat staan verlossing. De schrijver blijft zitten met zijn vragen, zijn spijt, zijn woede, zijn verwondering en zijn onuitsprekelijke vreugde.

Scheidingen, sterfgevallen, tweede en derde huwelijken, kinderen, oorlogen ze passeren in twee of drie zinnen de revue als verplichte figuren bij het ijsdansen. That's life, maar die ene keer dat wij toen samen op de hei die vlieger oplieten, of dat wij na de dood van moeder met het hele gezin sprakeloos en dronken in dat strandhuisje zaten of die keer dat ik in de loopgraven iemand dat lied hoorde zingen: dat gaat nooit voorbij. Momenten als deze bepalen wie we zijn, wat we zijn, helpen voorkomen dat we op klaarlichte dag opeens spoorloos uit ons eigen leven zijn verdwenen. Eenmaal genoteerd zijn het onze eigen kleine overwinningen in de strijd om de werkelijkheid.

Misschien, wie weet, gaat het ook bij de kwaliteit van het openbare leven en de strijd om de werkelijkheid die daar gaande is, niet zozeer om de verdeling van spullen of normen en waarden, maar om de manier waarop mensen hun ziel peilen en de manier waarop zij wat zij daaruit naar boven halen vervolgens voorleggen aan anderen.

Paul Auster: `True Tales of American Life'. Uitg. Faber & Faber, ƒ54,-

Ik laat Franzens roman `The Corrections' vallen als een edelkitscherige baksteen

    • Roel Bentz van den Berg