Olie onder de prut

Het is niet altijd gemakkelijk te kiezen. Welke titels passen in de eregalerij van de onderkast, eeuwige, maar onderbelichte werken die dreigen onder te gaan in de maalstroom van nieuw gepubliceerde boeken? Van de postkamer bij de krant kreeg ik Vitae Abbatum Orti Sancte Marie. Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland opgestuurd, met een geel memostickertje waarop `Is dit iets?' Het antwoord luidt: het is zeker iets. Ik ben blij kennis te hebben genomen van een grote en vier minder grote biografietjes van kloosterstichters en -leiders, meer of minder begaafd geschreven, minder of meer hagiografische teksten uit de twaalfde eeuw. Mag niet verloren gaan, en dankzij inleiders, bezorgers en vertalers uit het Latijn Lambooij en Mol gaat het ook niet verloren.

Ik moet eerlijk zeggen dat de middeleeuwse kloostergeschiedenis van Friese norbertijnen en schiermonniken geen onderwerp is waarvan ik vaak wakker lig. Er zijn vast meer lezers die dat hebben. Het zijn dan ook slechts alinea's en zinsneden die blijven hangen, uit een boek dat ik toch weer helemaal heb uitgelezen, uit angst dat ik méér van zulke zinsneden mis.

De parelduiker vreest de modder niet, schreef Multatuli. Als katholieken over de geschiedenis van het katholicisme schrijven, ontstaat alleen wel heel veel modder, in de Middeleeuwen was het niet anders. Wat dat betreft lijken katholieken op alle gelovigen strijklichtzieners, Gods Slagschaduw ligt groots en uitgestrekt achter alle objecten van hun aandacht. Vind daar nog maar eens parels in. Het wordt pas leuk als de hagiograaf van de Vita Fretherici over de stichter van het klooster Mariëngaarde bij Hallum (Fr.), in hoofdstuk negentien verhaalt `over een man die door zijn eigen vrouw en de verloofde van zijn dochter 's nachts werd gewurgd'. Een verhaal uit duizenden, van het type dat Boccaccio voor zijn Decamerone moet hebben gebruikt.

Mooier dan de Vita Fretherici het langste en heiligste van de vijf zijn de volgende stukken. Al blijft het zoeken in wat de uitgever terecht `een mengeling van vrome prekenbundel en vrome managementsgids voor kloosteroversten' noemt: de Vita Siardi. Toch weer iets moois gevonden. Een exempel van nederigheid, maar wat voor exempel! De goede vader loopt de kloosterkeuken in. Met kloosterkeukens heb ik iets. Ik denk meteen aan Il Fioretti di San Francesco (`De bloemetjes van St. Franciscus') een apocriefe Franciscus-tekst waarin broeder Juniperus een waar Kalf Mozes, een voorbeeldige monnik besluit de hele provisiekast ineens te legen in een eenpansmaaltijd voor de aankomende veertien dagen en Franciscus ook nog zo simpel is om deze zwakbegaafde Juniperus te roemen vanwege diens goede bedoelingen. In het Friese geval zien we de abt Siard de keuken binnenstappen. Hem valt een potje op dat apart op het vuur staat.

`Wat is dat?' vraagt hij.

`Een peterselieschotel, speciaal voor uw nierstenen', zegt de kok.

Pikt de abt dat niet, nederig als hij is, voor hem geen uitzondering. In plaats van dat hij die kok bedankt! Krulpeterselie staat bekend om haar vochtafdrijvende eigenschappen, en nierstenen komen soms met de urine mee. Rabelais en Montaigne, beiden niersteenlijders, hadden een moord gedaan voor dat soepje, maar wat zegt Siard?

'Als deze moes [=groente] goed is voor mijn kwalen doet-ie dat ook voor de broeders.'

De peterseliesoep wordt in de algemene pot overgegoten, met als resultaat gedrang bij de sta-afdeling van de kloosterlatrine, en Siard die schreeuwend wakker wordt omdat er met een mes in zijn onderrug wordt gesneden. Het staat er niet, maar dat kun je uitrekenen.

Met zo'n passage is een onderkastlezer héél blij. Blij ook ben ik met regels over een eenkennige opvatting van het erotische Hooglied uit de Bijbel. Het gaat om Mariëngaarde-abt Jarich, een nauwlettende vorser die over het Hooglied een `Boek der Verklaringen' schreef, waarvoor zijn biograaf een mooie reclametekst levert: `Als U iets over deze Verklaring wilt weten, o lezer, dan zou U dat boek eens helemaal met aandacht dienen door te lezen. Daar zult u immers de olie vinden onder de prut, wijn onder de druivepitten, de kern onder de schaal, de tarwekorrel onder het kaf, dat betekent: in de verliefde woorden van bruid en bruidegom de innige verbinding dan wel de verbonden liefde van Christus en de Kerk. U zult daar, zeg ik, vinden, hoe de bruid, na zowel vrees voor zijn heilige naam te hebben opgevat als tegelijk liefde, zich stort in allerlei beproevingen, in verschillende woonsteden, op onzekere rustplaatsen, hem [de bruidegom] in een even afmattende als hartstochtelijke speurtocht nu eens zoekend in buurten, dan weer in straten, nu eens in tuinen, dan weer in wijngaarden, nu eens in de openingen van de rots, in de holten van de muren in de legersteden der leeuwen, dan weer op de heuvels waar de panters vertoeven, en zo gaat het maar door.'

Vurige regels van een abtenbiograaf, en lang niet de enige waarin het vuur uit de klinkers spat onder de galop van zijn taal. Natuurlijk bevatten de vier levensbeschrijvingen in deze bundel veel druivepitten, prut en kaf. Maar de onderkastlezer zoekt en vindt wijn, tarwekorrels en olie.

`Vitae Abbatum Orti Sancte Marie.

Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland', inleiding, editie en vertaling H. Th. M. Lambooij en J.A. Mol.

Uitgeverij Verloren en Fryske Akademy,

532 blz. ƒ88,–