Moord op de Gouden Strop

Thrillers moeten niet willen meedingen naar de AKO-prijs, meent René Appel.

Thrillerschrijver Tomas Ross is de initiatiefnemer en ook tweevoudige winnaar van de Gouden Strop, de prijs voor de beste Nederlandstalige misdaadroman. In NRC Handelsblad van 24 november beweert hij op de Opinie-pagina dat die prijs maar het beste kan worden afgeschaft.

Ross pleit voor afschaffing omdat volgens hem slechts een van de drie doelstellingen achter de prijs is verwezenlijkt, namelijk een auteur wordt bekroond, hij of zij ontvangt een aardige geldsom en het betreffende boek staat extra in de belangstelling. Ruim vijftien jaar na het instellen van de prijs beweert Ross dat er nóg twee doelstellingen waren. Ik was jurylid bij de eerste Strop en daarna dong ik mee naar de prijs, die ik – evenals Ross – twee keer mocht winnen en bij mijn weten zijn die nooit zo vastgelegd. Maar mogelijk is Ross' geheugen beter dan het mijne.

Laten we die door Ross onthulde doelstellingen eens nader bekijken. Volgens hem wilden de initiatiefnemers van de prijs bereiken `dat de misdaadroman zijn rechtmatige status en positie zou krijgen, dat wil zeggen een onverbrekelijk onderdeel zou worden van de Nederlandstalige literatuur en niet langer `het misdeelde stiefkindje' van de letterkunde, zoals Ab Visser schreef.'

Het is mij een raadsel hoe je via het instellen van een prijs historisch gegroeide statusverschillen recht zou kunnen zetten. Ook als je misdaadboeken als een onverbrekelijk onderdeel van de Nederlandse literatuur zou zien, dan kan er – wegens de specifieke kenmerken van het genre – nog best een prijs voor het beste boek worden uitgeloofd. Zo is er ook een essay-prijs, een biografie-prijs en voor kinderboeken zijn er zelfs verschillende prijzen. Daarbij is Vissers observatie afkomstig uit een tijd dat Nederlandse misdaadromans vooral met Havank werden geassocieerd. Dat uitgangspunt benadrukt dat misdaadauteurs zich miskend zouden voelen, en dat ze graag met de Grote Jongens van de Literatuur mee zouden spelen. Oftewel, ze zijn zielig, omdat ze onvoldoende serieus worden genomen.

Ik voel me als misdaadauteur niet zielig, onderschat of miskend. Ik heb ervoor gekozen om misdaadboeken te schrijven. De hervorming van de literaire canon in Nederland laat ik graag aan anderen over.

De tweede niet gerealiseerde doelstelling bij de Gouden Strop was volgens Ross het wekken van meer aandacht en publiciteit voor het genre (kennelijk gaat het in de ogen van Ross dus toch om een apart genre). Hij vindt dat dat onvoldoende is gelukt. Ik ben het met hem eens dat het best wat meer zou mogen zijn, maar vergeleken met een jaar of vijftien geleden is de aandacht voor het Nederlandstalige misdaadboek in de media wel degelijk toegenomen. Als ik mijn eigen knipselmap met interviews zou leggen naast dat van een auteur uit pakweg de jaren zeventig, dan zou die auteur volgens mij scheel zien van jaloezie. Die belangstelling voor het Nederlandse misdaadboek lijkt me voor een deel te danken aan het bestaan van de Gouden Strop. Let wel, ik schrijf `lijkt me'. Want ik kan dit net zo min hard maken als Tomas Ross dat kan met zijn beweringen.

Wat betreft die media-aandacht kan ik op één punt Ross' ongelijk feitelijk aantonen. Hij stelt: `Geen Groenteman, Zeeman of Barend & Van Dorp'. Welnu, in het voorjaar was Ross zelf gast in het televisieprogramma van Frits Barend en Henk van Dorp naar aanleiding van zijn nieuwe boek Tranen over Hollandia. Enkele jaren daarvoor mocht ik aanschuiven bij VPRO-diva Hanneke Groenteman om over mijn thriller Geweten te praten. Over datzelfde boek verscheen trouwens ook een fors interview met Lien Heyting in het Cultureel Supplement van deze krant. En inderdaad, geen Zeeman met Boeken, maar ik vraag me af of Tomas Ross nu zo ongelukkig moet zijn met het feit dat onder meer zijn boeken niet op Michaël Zeemans snijtafel worden gelegd.

Om zijn moord op de Gouden Strop te ondersteunen komt Ross met nog een argument op de proppen: hij gaat maar naar een betrekkelijk klein kringetje van auteurs, waardoor mensen de prijs niet meer serieus nemen. Ross schrijft: `het is óf Appel [het compliment wordt dankbaar geïncasseerd, RA] óf Geeraerts óf Mendes óf Ross.'

Natuurlijk zijn er niet ontzettend veel Nederlandse misdaadauteurs, maar dat betekent niet dat het groepje potentiële prijswinnaars zo klein is als Ross suggereert. De afgelopen tien jaar zijn er flink wat nieuwe, talentvolle Nederlandse thrillerschrijvers bijgekomen, die zich terecht mengen in de `strijd' om de Gouden Strop. Ik noem Chris Rippen (winnaar in 1992), Jac Toes (winnaar in 1997), Charles den Tex (verschillende keren genomineerd voor de prijs) en Henk Apotheker (twee keer genomineerd). Opvallend is slechts dat in tegenstelling tot het buitenland – met name Groot-Brittanië – Nederland en Vlaanderen zo weinig vrouwelijke misdaadauteurs lijken voort te brengen.

Dat schrijvers meer dan eens bekroond worden, doet volgens mij ook niets af aan de waarde van een prijs. Wat te denken van Thomas Roosenboom, die met twee opeenvolgende romans ook meteen twee keer de champagnekurken kon laten knallen? Jeroen Brouwers schiet de laatste jaren ook voortdurend raak. Auteurs als Gerrit Krol en Geerten Meijsing ontbreken zelden op een shortlist. Nederland een klein landje, inderdaad, maar iemand als Ian McEwan doet het in het Engelse taalgebied ook lang niet slecht met zijn nominaties voor de Booker prize en Beryl Bainbridge is zo'n beetje beroepsgenomineerde.

Ross kent zijn opposanten en hij zegt dat hun verwijzing naar succesvolle zusterprijzen in de VS en Groot-Brittanië niet relevant zijn. Want, stelt hij, `ze vergeten dat in die landen de thriller allang gerekend wordt tot de literatuur, dus dat de Edgar en de Dagger daar niet anders zijn dan hier AKO- of Huygensprijs, exact wat we willen.' Hij laat in het midden wie met `we' worden bedoeld.

Maar een prijs als de Golden Dagger is volstrekt niet vergelijkbaar met de AKO-prijs. In het Engelse taalgebied kent men onder meer de Booker- en de Whitbread-prijs en die zijn enigszins te vergelijken met AKO of Gouden Uil. Een zeer succesvolle thrillerauteur als Ruth Rendell, meervoudig winnaar van de Dagger, is nog nooit genomineerd voor een van die twee belangrijke literaire prijzen. Ik zie Amerikaanse schrijvers als Elmore Leonard of John Grisham ook niet snel de Pulitzer Prize winnen.

Waarschijnlijk beperkt Ross zich bewust tot een verwijzing naar thrillerprijzen in twee Engelstalige landen met een grote crime-productie. Hij ziet dan over het hoofd dat een groot aantal landen een prijs voor misdaadliteratuur heeft, van Zweden tot Spanje en van Duitsland tot Italië. Of zou dat volgens Ross ook onterecht zijn, en moet ook in dit opzicht Holland gidsland worden?

Zoals ik hierboven al schreef, wil Ross graag met de `echte literatuur' meedoen. Hij stelt dat misdaadromans moeten worden ingezonden voor een van de algemene literaire prijzen. Waarom slechts voor één is niet duidelijk, want als je echt wil meedoen, ambieer je natuurlijk alle literaire prijzen, maar goed. Mijn boeken worden door mijn uitgever trouw ingestuurd en inderdaad voor alle prijzen, maar ze zijn zelfs nog nooit op een longlist verschenen, ook niet `Geweten', dat over het algemeen wordt gezien als mijn thriller met de meeste literaire aspiraties. Ik heb het bange vermoeden dat mijn boeken volgens de juryleden bij de echte grote prijzen niet aan hun hoge literaire maatstaven voldoen: te veel verhaal, te weinig `ideeën', te veel direct verteld en te weinig literaire krullendraaierij.

Volgens mij gaat Ross voorbij aan een pijnlijk, maar hard gegeven: het Nederlandse literaire establishment is niet zo gecharmeerd van misdaadboeken, en zal dat in de toekomst ook niet worden. Tekenend in dit verband waren de recensies in deze krant van de vijf genomineerde boeken voor Gouden Strop 2001, waartoe ook mijn laatste boek Zinloos geweld behoorde. Die thriller werd over het algemeen – door thrillerrecensenten – juichend besproken. In Vrij Nederlands jaarlijkse Detective- en Thrillergids kreeg het boek de topwaardering met vijf sterren. Het bleek vorige week ook prijswinnaar, maar zelden of nooit heb ik het zo voor mijn kiezen gekregen als in de vernietigend negatieve recensie van Pieter Steinz in deze krant. Overigens konden ook de andere genomineerde boeken nauwelijks enige waardering oogsten.

Ross is rijkelijk naïef in zijn ideeën over veranderingen in het literaire klimaat en de mogelijkheid tot het instellen van jury's die ontvankelijker zouden staan tegenover thrillers dan recensenten als Tom van Deel of Arjan Peters. Hij stelt daarom het volgende voor: `iets doen aan de samenstelling van de jury in plaats van passief achterover blijven leunen.' Wie moet dat doen en hoe? Zit hier misschien een mooi crimineel plot in? Infiltratie in stichtingsbesturen, manipulatie van de Librisdirectie (chantage wegens seksueel misbruik van winkeldochters?), uitschakeling – desnoods met fors geweld – van potentiële `anti-thriller-recensenten' als Hans Goedkoop en Monica Soeting? Kom, Ross, je weet wel beter. Wat jij voorstelt is `een utopie wie nooit uitkomt', zou Johan Cruijff zeggen.

Als thrillerschrijver verkies ik de splendid isolation van de Gouden Strop verre boven de onherbergzame, treurige marge van de Grote Literatuur.

Zie www.nrc.nl voor het artikel van Tomas Ross

Het literaire establishment is niet gecharmeerd van misdaadboeken

Misdaadromans worden overstelpt met belangstelling