Mijn werk gaat over licht

Het werk van Dan Graham is vaak een mengvorm van kunst en architectuur. `Zo kan ik op beide kritiek leveren.'

Dan Graham is zo'n zeldzame kunstenaar die internationale bekendheid heeft, maar wie het is gelukt om niet established te raken. De reikwijdte van zijn oeuvre is enorm: video-installaties, films, performances, essays en kritieken, conceptuele werken, het libretto voor de mini-rockopera Wild in the Streets en, sinds 1976, architectuurmodellen en glazen paviljoens. Hij is wat je noemt een `kunstenaars kunstenaar', en dan een die niet alleen door zijn eigen generatie, maar ook door jongere generaties wordt gewaardeerd.

,,Bekend? Veel merk ik daar niet van. Ik had hier wel graag business class naar toe willen vliegen. Aan de andere kant: rijke kunstenaars hebben geen contact met andere kunstenaars, alleen maar met hun assistenten. En waarom kopen mensen kunst? Om een tweede huwelijksreis te vieren in Londen of New York, of om een business deal te vieren, of voor een bedrijfscollectie. (Grijnzend) I want to be a senior citizen and still do good art.''

Graham (1942, Urbana, Illinois, woonachtig in New York), met warrig grijs haar, een afzakkende bril en een ronde buik in een spijkerbroek, zit vol venijn en humor. Hij laat geen kans onbenut om zijn gal te spuwen op de Amerikaanse consumptiemaatschappij en op de alomvattende invloed van de reclamecultuur, die, naar hij zegt, een directe voortzetting is van de nazistische propagandatechnieken van Albert Speer. Het is niet moeilijk te begrijpen wat Graham bedoelt als hij zegt dat hij, naarmate hij ouder wordt, zich steeds meer voelt als een jewish stand-up comedian.

Zitzakken

Het Kröller-Müller heeft een grote overzichtstentoonstelling aan Graham gewijd, in samenwerking met het Museum voor Hedendaagse Kunst in Porto (Portugal) en het Musée d'Art Moderne in Parijs. Veel van Grahams video's en registraties van performances uit de jaren zestig zijn hier te zien, alsook zijn vroege tekst- en tijdschriftwerken. In de aula wordt de monumentale video Rock my Religion vertoond, en in de beeldenzaal is een groot aantal nauwkeurig geconstrueerde schaalmodellen van paviljoens, gemaakt van doorkijkspiegels, transparant glas en metaal, op ooghoogte opgesteld. In het park is een nieuw paviljoen neergezet, als aanvulling op de Two Adjacent Pavilions uit de collectie van het Kröller-Müller (vlakbij de ingang), en ook binnen zijn een paar paviljoens neergezet, onder andere een prachtige videolounge van Graham, compleet met zitzakken, getiteld New Design for Showing Videos (1995). Het is een bijzonder rijke tentoonstelling: niet alleen als historisch overzicht van een oeuvre dat zeer gelaagd is, maar ook, in het geval van de paviljoens, als puur visueel feest van lichtreflecties en optische gewaarwordingen.

Grahams liefde voor alles wat met optica te maken heeft kent een lange geschiedenis. Als 13-jarige bouwde hij een telescoop en nodigde de buurtkinderen, tegen betaling uiteraard, uit om naar de sterren te kijken. Een kunstopleiding of enige andere opleiding heeft hij nooit gevolgd. In 1964 opende hij in New York een galerie, John Daniels geheten, waar hij tentoonstellingen maakte van onder anderen Sol LeWitt en Dan Flavin; ze zouden levenslang bevriend blijven. Na een jaar moest de galerie wegens faillissement de deuren sluiten. Graham voorzag hierna in zijn onderhoud als kunstcriticus. In deze tijd publiceerde hij ook zijn eerste Magazine Pieces, een soort concrete poëzie bestaande uit, onder andere, abstracte schema's voor gedichten en cijferreeksen. Graham was geïnteresseerd in stereotypen en in clichés, en hij wilde dat zijn werk mass-disposable zou zijn. Overigens zou hij, decennia later, de getypte `originelen' van deze tijdschriftpagina's verkopen aan een Belgische verzamelaar.

Eveneens uit deze periode stamt de mooie fotoserie Homes for America, gepubliceerd in Arts Magazine, 1966/67. Met een eenvoudige Kodak Instamatic fotografeerde Graham Amerikaanse cataloguswoningen in de voorsteden, symbolen van kleinburgerlijk geluk, sterk vergelijkbaar met onze hedendaagse Vinex-woningen. Hij combineerde de foto's (de originele dia's worden vertoond in het Kröller-Müller) met een pseudo-sociaalpsychologisch onderzoek naar de voorkeuren van Amerikaanse mannen en vrouwen in verschillende leeftijds- en inkomenscategorieën voor daktypen, kleuren voor de gevel, wel of geen gazon, enzovoort.

In feite is Grahams hele oeuvre, in al zijn veelzijdigheid, gebaseerd op deze twee gegevens: zijn fascinatie voor het groepsgedrag van mensen, en zijn belangstelling voor lenzen, camera's en optische verschijnselen. Fotograferen doet hij nog steeds, ook al krijgen tegenwoordig voornamelijk de paviljoens de aandacht: ,,Nee, recente foto's zijn op de tentoonstelling niet te zien. Dit is een Historisch Overzicht, het gaat allemaal over het verleden. Mensen worden graag langs memory lane gevoerd. Nog onlangs was ik in de dierentuin van Antwerpen met een studente van de Rijksakademie. Er is daar een grote spiegel waarboven staat: `de gevaarlijkste diersoort'. De dierentuin is een goede plek om te observeren hoe gezinnen zich in het openbaar gedragen. Wat we daar deden? Zij nam foto's van mij al foto's nemend, en van mij ruikend aan een bloem.''

Grahams performances gingen over hoe mensen elkaar observeren. Zoals Past Future Split Attention (1972), voor twee personen, waarbij de een in detail het gedrag van de ander voorspelt en de ander vervolgens het gedrag van de eerste navertelt, waarop de eerste weer het gedrag van de ander voorspelt, enzovoort. Iets vergelijkbaars deed Graham in Performer/Audience Sequence (1975), waarbij hij afwisselend zijn eigen gedrag en de reacties van het publiek daarop al pratend beschrijft. Van hier was het een niet onlogische stap naar spiegelende paviljoens. Graham: ,,Een klein kind ontwikkelt zijn ego door zichzelf voortdurend aan anderen te spiegelen. Mijn paviljoens ontlenen hun betekenis aan de mensen die zichzelf en anderen bekijken, en zelf bekeken worden. Zonder mensen erin lijken de paviljoens misschien enigszins op minimal art-sculpturen, maar zo zijn ze niet bedoeld.''

Spiegeling

Two adjacent pavilions zijn twee identieke rechthoekige bouwsels van doorkijk-spiegelglas, circa tweeënhalve meter hoog, ieder met een deur, de ene met een transparant glazen plafond, de andere met een donker, ondoorzichtig plafond. Wanneer de zon schijnt, is het relatief donker in het plafond met het ondoorzichtige plafond en kunnen beschouwers van buiten niet naar binnen kijken, ze zien alleen zichzelf gespiegeld, terwijl het met het andere paviljoen andersom is: daarbinnen is het licht en kunnen de bezoekers alleen zichzelf zien, en van buiten kan je naar binnen kijken. Op een bewolkte dag zijn de wanden ongeveer even transparant als spiegelend. Op een dag met afwisselend zon en bewolking is er een voortdurend verschuivende relatie tussen interieur en exterieur en tussen het ene en het andere paviljoen.

De mogelijkheden tot variëren zijn eindeloos. Driehoekspaviljoens, cirkelvormige paviljoens, met of zonder deuren, meandervormen: het is één groot schouwspel van licht en spiegeling. Graham verbindt soms een functie of een thema aan zijn paviljoens. Zo bestaat het Skateboard Pavilion (1989) uit een holle schotel van beton (206 x 145 x 145 cm), met daarboven een piramide van doorkijkspiegelglas. Dit paviljoen werkt het best als de skateboarder de rand van schotel bereikt, omhoog kijkt in de baldakijn, en zichzelf weerspiegeld ziet in een kaleidoscopische reflectie van de lucht. Helaas is dit paviljoen niet gerealiseerd. Een hartvormig paviljoen plaatste Graham in de tuin van een vrouw in Pennsylvania, tussen haar barbecue en het zwembad; de hartvorm is het best waar te nemen vanuit haar slaapkamerraam op de eerste verdieping. Af en toe overschrijdt Graham de grens tussen het paviljoen als `nutteloos' object en `echte' architectuur. Zo bouwde hij in Berlijn een café, en op het dak van de DIA Art Foundation in New York een koffiebar annex tentoonstellingsruimte.

Skateboarden

De paviljoens verwijzen naar de geschiedenis van tuinpaviljoens sinds de Renaissance, die een quasi-educatieve en recreatieve functie hadden. Deze traditie zet zich voort, via barok en rococo, tot aan de zogenaamd primitieve rustieke hutjes in de negentiende-eeuwse Engelse tuinarchitectuur, afgeleid van de romantische idealen van Rousseau. Maar Grahams materialen zijn juist eigentijds: ze spreken de taal van de bureaucratie, en van de architectuur van kantoorgebouwen en bedrijfspanden. Hiermee transformeert hij de anonieme vormen van de moderne stad tot een utopische plek.

Graham: ,,Ik heb altijd een hekel gehad aan het World Trade Center. Slecht gedaan en een monument voor het kapitalisme. Te grote proporties, een verspilling van ruimte. Persoonlijk zou ik graag zien dat het een recreatiegebied werd. Iets met schaatsen en skateboarden ofzo, met mijn skateboard-paviljoen erbij.

,,De paviljoens zijn heterotopia's, in tegenstelling tot de dystopia's, de non-plekken, van kantoorgebouwen. Ik ben geïnteresseerd in stadsplanning, en in de verhouding van parken tot de stad. Ik ben niet zo voor artistieke autonomie. Als kunstenaars een zeer gedetailleerd onderzoek doen, dan is autonomie iets goeds. Maar meestal willen ze een snel spektakel – Hollywood-effecten – creëren. Zoals Rachel Whiteread (Engelse beeldhouwer, JW), die is heel succesvol omdat ze zich niet ontwikkelt. Ik hou van grensverschijnselen, van kunst die een mengvorm is van twee dingen: kunst en architectuur, kunst en tijdschriften. Op deze manier kan ik kritiek leveren op de kunst en op de architectuur. Mijn probleem is dat kunstenaars architecten willen zijn en andersom. Architectuur gaat tegenwoordig alleen nog over effect.'

,,Mijn werk komt niet van Duchamp, ook al beweren Rosalind Krauss en Benjamin Buchloh (bekende Amerikaanse critici, JW) van wel. Ik ben beïnvloed door het Russisch constructivisme, door Tatlin bijvoorbeeld; daarom is mijn werk enigszins functioneel. Critici zijn allemaal geïndoctrineerd door het Duchamp-gedoe. In tegenstelling tot Rem Koolhaas houd ik niet van Duchamp. Koolhaas steelt van iedereen en vermeldt het niet. Hij is een kapitalistische decorateur die uitsluitend uit is op macht. Hetzelfde geldt trouwens voor het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Hamburg (van bureau MVRDV, JW): pure kapitalistische propaganda. Nee, ik ben geen grote fan van hedendaagse architecten. De meesten zijn fascisten die maar één ding doen: hun handelsmerk zetten. Stadsbesturen zijn daar blij mee, want ze hebben geen verstand van architectuur en ze willen graag een handelsmerk.''

Heeft de kunstenaar volgens u een morele taak?

Graham: ,,Moraal is een woord dat ik probeer niet te gebruiken. Maar ik vind wel dat kunstenaars algemeen geaccepteerde opvattingen moeten ondermijnen. Mijn Yin/Yang-paviljoen is een parodie op New Age en op Bill Viola. Het Yang-gedeelte van het paviljoen, met wit geharkt zand, verwijst naar de Japanse Zen-tuin en parodieert de `neo '60s lite religion style' uit de jaren negentig. En dan is er de wonderbaarlijke knalblauwe reflectie van het water. Dit werk gaat ook over de verpretparking van de wereld.''

Druilerig weer

Lopend door zijn tentoonstelling in aanbouw moppert Graham een beetje voor zich uit over de slechte verlichting in het museum. Ook het druilerige, grijze Hollandse weer bevalt hem niet. ,,Mijn werk gaat over licht. Mijn ideeën over licht heb ik van Dan Flavin (Amerikaanse neon-kunstenaar, JW), die heel geïnteresseerd was in 19de-eeuwse schilderkunst, van Frederick Edwin Church bijvoorbeeld, en van Duitse schilders. Dus als ik in Duitsland ben, praat ik altijd over Kaspar David Friedrich en Otto Runge, dat doet het goed.''

Hoe dit ook zij, bij druilerig weer doen de paviljoens nog steeds waar ze voor bestemd zijn: ze creëren een prachtig spel met de zintuigen. Omdat er over het werk van Dan Graham in de loop der jaren altijd veel getheoretiseerd is, wordt gemakkelijk vergeten dat het in zijn werk vooral gaat om spel en sensueel genot. In de gang van het Kröller-Müller, bij het restaurant, staat een klein, halfrond, paviljoen, ongeveer tweederde verkleind ten opzichte van een gewoon paviljoen. Het is een Girl's Make-up Room, bestemd voor een meisje van tien jaar, met een make-up spiegel met fish eye lens en drie lipsticks op een tafeltje. Graham: ,,Uit onderzoek blijkt dat tienjarige meisjes de ideale consument zijn, omdat ze rotzooi willen kopen. Maar in feite zijn al mijn paviljoens bestemd voor kinderen. Zij begrijpen direct waar het over gaat en vinden het fijn om er mee te spelen. En de ouders? Die staan erbij en fotograferen hun kinderen.''

De tentoonstelling `Dan Graham – werken 19652000' is nog tot 10 februari 2002 te zien in het Kroller-Müller Museum, Otterlo. Open: di-zo 10-17 uur. Ma en 1 januari gesloten. Oeuvrecatalogus Dan Graham, ƒ69,50.

`Veel hedendaagse architecten zijn fascisten'

    • Janneke Wesseling