Leven als verrottingsproces

Sneeuwklokjes, zo noemen ze in Rusland de stakkers die 's winters bezopen sneuvelen in de sneeuw en van wie de lichamen in de lente worden teruggevonden. Johannes Liebman, een in 1998 in Sint Petersburg verdwaalde Nederlander, voldoet aan alle voorwaarden om als zo'n sneeuwklokje te eindigen. Hij is de hoofdpersoon van Liebmans ring, de tweede roman van Pieter Waterdrinker.

Liebman is een psychiatrische patiënt van 53 die als toerist in Petersburg is beland en daar aan wodka, pech en toenemende krankzinnigheid ten onder dreigt te gaan. Buiten zijn schuld raakt hij betrokken bij een iconen-smokkel. De Nederlandse consul in Sint Petersburg, van wie hij hulp verwacht, speelt een kwalijke rol. Hij bereidt het staatsbezoek van koningin Beatrix voor en kan een lastpost als Liebman daar slecht bij gebruiken. Intussen heeft Liebmans zaak in Nederland alle kranten gehaald zodat hij zich in eigen land niet meer kan vertonen.

De botsing van een individu met een harteloze bureaucratie is een thema dat de auteur na aan het hart moet liggen. Pieter Waterdrinker, pseudoniem van Pieter van der Sloot (1961), is in het dagelijks leven correspondent van De Telegraaf in Rusland. Ook hij is in zekere zin slachtoffer geweest van de Nederlandse staat. In 1999 werd hij veroordeeld tot een geldboete wegens een antisemitische opmerking van een personage in zijn debuutroman Danslessen. En hoewel hij onlangs door de Hoge Raad is vrijgesproken, heeft hij de tegen hem ingestelde vervolging als een kafkaëske nachtmerrie ervaren. Tussen de regels van zijn nieuwe roman door lees je de woede die hij de afgelopen jaren moet hebben gevoeld over deze absurde zaak en zijn radeloosheid over het uitblijven van relevante steun. Maar zo erg als Liebman zal hij er toch niet aan toe geweest zijn.

Deze weduwnaar, ontsnapt uit een psychiatrische inrichting in Z. (waarin zonder moeite de badplaats Zandvoort uit Danslessen kan worden herkend) ontdekt bij aankomst in Petersburg dat hij het ene gekkenhuis voor het andere heeft verruild. Rusland bevindt zich aan de rand van de afgrond, zelfs de roebel is op de bon, corruptie en criminaliteit nemen ongekende vormen aan, lonen worden niet meer uitbetaald, belastingen niet meer geïnd en het volk bereidt zich voor op een opstand (die op 7 oktober 1998 op een mislukking is uitgelopen).

Poesjkin

Liebman, verblijvend in een uitgewoond hotel waar hij voortdurend wordt afgeperst en uitgenomen, brengt zijn dagen wodka drinkend door op een bankje bij een standbeeld van Lenin. Gek genoeg is de kale Lenin getooid met een prachtige bos krullen, maar dat komt omdat het beeld in werkelijkheid Poesjkin voorstelt, wat Liebman pas na verloop van tijd te weten komt.

Poesjkin, in 1837 op 37-jarige leeftijd tijdens een duel dodelijk verwond door de aangenomen zoon van de Nederlandse consul, loopt als een rode draad door dit van waanzin en desillusie vergeven boek, waarin alles draait om een bizar noodlot. Liebman is door een Petersburgse prostituee beroofd van de trouwring van zijn overleden echtgenote en denkt te weten dat hij binnen afzienbare tijd zal sterven als hij het sierraad niet terugvindt. Zo verwordt zijn vertroebelde verblijf in Petersburg gedurende de laatste maanden van 1998 tot een wanhopige zoektocht naar de ring en tegelijkertijd tot een martelend gevecht tegen de dood.

De beschrijvingen van deze waanzinnige missie zijn meesterlijk en bij vlagen stilistisch briljant. Zonder dat het geforceerd aandoet weet Waterdrinker, die een schat aan poëtische taal tot zijn beschikking heeft, de psychose van Liebman te laten samenvloeien met de staat van krankzinnigheid waarin Rusland verkeert. Liebmans dronkenschap wordt niet beschreven maar beleefd. Als een lyrische rapporteur van de ontbinding neemt hij de lezer mee in een apocalyptische tocht door Petersburg, waar het bestaan doordesemd is van decadentie en doodsverlangen en het hele leven zich voordoet als een angstaanjagend verrottingsproces.

Toch is er een aspect aan deze opmerkelijk goed geschreven en geconstrueerde roman dat me niet overtuigt. Waterman weet moeilijk maat te houden. Dan heb ik het niet over het soms exuberante taalgebruik, maar over de gezwollen thematiek. Liebman is gek, gefnuikt door het leven, maar de oorzaken van die gekte worden in de talloze flashbacks zo zwaar aangezet dat ze hol en grotesk worden. Niet alleen was Liebmans vader een SS'er die drie jaar als hospik aan het Oostfront diende, de man zat na de oorlog ook nog eens drie jaar gevangen in Haarlem, ontwikkelde zich vervolgens tot een om zich heen meppende alcoholische huistiran en hangt zich, als zijn zoon tien jaar is, op de zolder op. Alsof dit nog niet verschrikkelijk genoeg is, trouwt Liebman met de joodse Eva Fienkelstein, overlevende van een concentratiekamp, waar ze als kleuter haar hele familie verloor. Als ze geen kinderen kunnen krijgen en besluiten om er één te adopteren, stuit dat wegens het foute oorlogsverleden van Liebmans vader op onoverkomelijke bezwaren. Uiteindelijk slagen ze er toch in een meisje te adopteren, maar zij sterft kort voor Eva's dood aan een overdosis heroïne. Eva beschuldigt haar echtgenoot er vervolgens van dat hij het kind met incestueuze handelingen de dood heeft ingejaagd.

Concentratiekampverleden

Anders dan de schitterende, soms hilarische en in elk geval authentiek aandoende passages over Liebmans waanzinnige tochten door Petersburg, doen de flashbacks over het oorlogs- en familieleed gekunsteld aan. Schrijven over de frustraties van iemand met een foute vader vergt al het nodige inlevingsvermogen, maar als daar dan ook nog eens een zelfmoord, een concentratiekampverleden, gedwongen kinderloosheid, een dood adoptiekind en het verlies van een echtgenote bijkomen, vereist dat een identificatie met leed die welhaast onmogelijk is.

Het is niet verwonderlijk dat Waterdrinker zoveel opeengestapelde narigheid moeilijk geloofwaardig weer kan geven, temeer daar het foute-vadersyndroom en het holocausttrauma al zoveel wèl doorleefde literatuur heeft opgeleverd. Deze onderwerpen zijn te groot om te dienen als zijdelingse thematiek, als ondergeschikte verhaallijnen in dienst van een ander doel, in dit geval het doorgronden van de gekte van de hoofdpersoon. Had Waterdrinker deze vet aangezette oorzaken van Liebmans krankzinnigheid buiten beschouwing gelaten en was hij dichter bij zijn eigen belevingswereld van een Hollander in Rusland gebleven, dan was er een aangrijpende roman over doelloze passie, peilloze wanhoop en rottend verval overgebleven, vrij van de – het spijt me – oorlogskitsch die het nu ontsiert.

Opmerkelijk is trouwens dat Waterdrinker, na te zijn vrijgesproken van antisemitisme, in deze nieuwe roman enigszins kinderachtig wraak wil nemen op zijn kwelgeesten bij de justitie. Liebmans moeder roept tegen haar schoondochter `pleurisjodin' en Liebman zelf noemt de vriend van zijn pleegdochter `stinkneger'. Deze polemisch bedoelde tussenwerpsels ontsieren de roman: `U hoort het goed: stinkneger! Ik weet wat ik zeg. Zoals er ook stinkmoffen zijn in deze wrede wereld; stinkrussen, stinkfransen, stinknederlanders... Een zoon van een oud-SS'er kan zich van alles permitteren, staat de facto buiten de reguliere wet en de ethiek, is vogelvrij, een mentale melaatse, vol angst glurend naar de rest. Naar al die miljoenen brave en goede, meer dan goede landgenoten.' Een begrijpelijke uitbarsting, maar Waterdrinker heeft dit getier niet nodig, omdat zijn schrijverschap kwaliteit genoeg heeft om hem uit te tillen boven het kleinzielige gedoe waar hij na zijn eerste roman mee werd geconfronteerd.

Pieter Waterdrinker: Liebmans ring. De Arbeiderspers, 247 blz. ƒ35,04

    • Elsbeth Etty