`In een oorlog gebeuren nu eenmaal smerige dingen'

Groot-Brittanië en de Verenigde Staten voelen niets voor een onderzoek naar het bloedbad in een fort bij Mazar-i-Sharif. De Geneefse Conventies ter bescherming van krijgsgevangenen bieden voldoen aanleiding voor zo'n onderzoek.

Het is niet duidelijk onder welke omstandigheden in de afgelopen dagen honderden gevangenen van de Noordelijke Alliantie in het fort Qala-i-Jhangi bij Mazar-i-Sharif aan hun eind zijn gekomen. De gevangenen, in meerderheid buitenlandse bondgenoten van de Talibaan die bij het beleg van de stad Kunduz in handen van de Alliantie waren gevallen, zouden in opstand zijn gekomen. Wat zeker is, is dat de Noordelijke Alliantie die opstand heeft neergeslagen met de intentie alle gevangenen te doden – haar verklaringen hierover zijn glashelder. Ook is zeker dat een aantal lijken van gevangenen is gevonden wier handen waren gebonden. Ten slotte is zeker dat Amerikaanse oorlogsvliegtuigen, op aanwijzing van leden van Amerikaanse en Britse speciale eenheden bij het fort, de gevangenen hebben gebombardeerd. ,,De situatie moest worden aangepakt, en je kan niet te kieskeurig zijn'', aldus een Britse regeringsfunctionaris.

Het was niet het eerste bloedbad onder verantwoordelijkheid van de Noordelijke Alliantie als vooruitgeschoven post van de ,,strijd tussen goed en kwaad'' (president Bush) van de VS en Groot-Brittannië in Afghanistan, maar wel het meest schokkende – tot dusverre. De Verenigde Naties en de mensenrechtenorganisatie Amnesty International, onder andere, hebben dan ook om een onderzoek gevraagd, ook al omdat Amerikaanse en Britse militairen erbij waren betrokken. In Washington en Londen is vooralsnog geen enkele neiging daartoe te bespeuren.

,,In een oorlog gebeuren er nu eenmaal smerige dingen'', was gisteren het argument waarmee de Britse onderminister van Buitenlandse Zaken Peter Hain oproepen tot een onderzoek van de hand wees. ,,Denk eraan dat die mensen in de gevangenis strijders van Al-Qaeda [Osama bin Ladens terreurnetwerk] waren van de meest extreme en militante soort die wapens te pakken hadden gekregen en probeerden zich naar buiten te vechten'', zei Hain tegenover de BBC-radio. ,,Onvermijdelijk was er een reactie en een poging om dat onder controle te krijgen – want als ze buiten aan het moorden waren geslagen, de hemel weet welke gruwelijkheden zouden zijn gebeurd [..] Dus we zien geen enkele noodzaak voor een onderzoek.'' En minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw vandaag: ,,Het idee dat we in de zeer moeilijke omstandigheden in Mazar-i-Sharif een juridisch onderzoek kunnen beginnen, houdt denk ik geen enkel verband met de werkelijkheid op de grond.'' Ten slotte het Amerikaanse ministerie van Defensie: ,,Te zeggen dat we kunnen controleren of dicteren wat de oppositiegroepen kunnen doen, is een overdrijving. Dat kunnen we niet.''

Werkelijkheid op de grond of niet, in Conventie III van de Geneefse verdragen ter bescherming van krijgsgevangenen van 1949 is wel degelijk reden voor een onderzoek te vinden. Grondbeginsel is: ,,krijgsgevangenen moeten te allen tijde menselijk worden behandeld'' (art 13). Een gevangene die ontsnapt en weer gepakt wordt kan alleen een disciplinaire straf krijgen (maximaal 30 dagen detentie), ook als het een herhaalde poging betreft (art 91). Het gebruik van wapens tegen gevangenen, in het bijzonder degenen die een poging doen te ontsnappen, moet een uiterste middel zijn, altijd voorafgegaan door een waarschuwing (art 42). En ten slotte: ,,de dood of ernstige verwonding van een krijgsgevangene waarvan het vermoeden bestaat dat hij is veroorzaakt door [..] een schildwacht [..] wordt onmiddelijk gevolgd door een officieel onderzoek van de Detaining Power''.

Oorspronkelijk had deze aanduiding betrekking op een statelijke overheid. Oorlog is immers een kwestie tussen staten. Inmiddels is de werking van het humanitaire oorlogsrecht echter uitgebreid tot internationale gewapende conflicten die zich niet op het niveau van staten afspelen en ook tot burgeroorlogen. Met andere woorden: ook de oorlog van de Noordelijke Alliantie. De regel over de behandeling van krijgsgevangenen waren bijvoorbeeld ook van toepassing in het voormalige Joegoslavië, ook al toonden de strijdende partijen weinig bereidheid de Conventie te respecteren. Het is niet van belang of strijdende partijen dit verdrag hebben ondertekend. Volgens het Tribunaal van Neurenberg, dat na de Tweede Wereldoorlog de nazi's berechtte, vormt het beginsel van een menselijke behandeling van krijgsgevangenen onderdeel van het internationale gewoonterecht zodat het ook zonder verdrag geldt.

De Noordelijke Alliantie is dus als Detaining Power verplicht tot een onderzoek, maar door haar actieve steun bij de onderdrukking van de gemelde opstand van de gevangenen zijn de VS en Groot-Brittannië medeverantwoordelijk. Dat betekent niet dat zij ook schuld hebben, een onderzoek moet allereerst uitwijzen of er een kwestie van schuld is – misschien was er inderdaad geen andere mogelijkheid dan de gevangenen allemaal te doden.

Sommige Amerikaanse regeringsfunctionarissen lijken te proberen onder de Geneefse Conventies uit te komen door de gevangen strijders van de Talibaan of Al-Qaeda uitdrukkelijk geen krijgsgevangenen te noemen. Het blijft echter verboden ,,geen kwartier'' te geven. De term komt uit de tijd van belegeringsoorlogen. Als een garnizoen zich niet overgaf joegen de overwinnaars na inname als straf de hele bevolking over de kling. Al voordat de Geneefse Conventies een ,,verbod om onnodig lijden toe te brengen'' formuleerden, was deze praktijk door de Haagse oorlogsreglementen (1899-1907) in de ban gedaan.

    • Frank Kuitenbrouwer
    • Carolien Roelants