Het ijs is broos

Vier eeuwen terug hield een `kleine ijstijd' Holland in zijn greep en de schilders van de Gouden Eeuw waren verrukt. ,,De echte Nederlandse winter is altijd die van weleer''

In Nederland is het zelden winter als het winter is. Zo'n eertijdse winter met bevroren sloten en plassen, waar een blauwe glans overheen ligt. In de vrieskou verstarde rietkragen, ritselend van de rijp. Een laagstaande zon schittert aan de hemel. Het doet pijn aan je ogen. Hoog in de winterlucht de V-vorm van gakkende ganzen. De koude houdt het land in zijn greep. De bomen zijn leeg, alleen wat kraaien erin, zoals op de schilderijen van de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw. De Nederlandse winter bestaat alleen als schilderij. Het is de winter van vroeger.

Op die zeventiende-eeuwse winterschilderingen is het ijzig koud, misschien min 30 graden. Jacob van Ruisdael maakte rond 1670 een Winterlandschap met molen waaruit elk menselijk leven verbannen lijkt. Het landschap is gevat in gedempt zilvergrijs, neigend naar blauw en lila. Schilderijen als dit roepen de fysieke ervaring van koude op. Als je ernaar kijkt, gaat het tintelen op de huid van je wangen en voorhoofd, of je door een schilder als Hendrick Avercamp bent uitgenodigd om mee te zwieren op de roze-wit gemarmerde ijsvloer, tussen alle andere uitgelaten winterse mensen. Je schaatsen slaan krassen op het ijs, het slijpsel verwaait.

Winters van Weleer heet de tentoonstelling die het Mauritshuis in Den Haag wijdt aan het Hollandse winterlandschap in de Gouden Eeuw. Ruim dertig schilderijen zijn in bruiklaan afkomstig van musea en particulieren over de hele wereld. Die toevoeging `Weleer' betekent meer dan alleen dat het is als of de natuur zich vergist, dat het nu niet meer zo wintert als toen, tenzij heel soms en dan nog kort. Van alle jaargetijden is de winter het sterkst verbonden met vroeger, met jeugd en kindertijd. `Herinneringen aan mijn eerste winter' zou kunnen gelden als synoniem voor de titel Winters van Weleer.

Voor andere seizoenen ligt dat anders. De zomer is gewoon de zomer, dagjes naar het strand. De lente vertedert en de herfst bekoort. Anders dan Winters van Weleer roept `Herfsten van Weleer' nagenoeg geen beeld op. Dat heeft misschien te maken met de snelle en ingrijpende verandering die de wereld ondergaat na een sneeuwnacht of aanval van strenge vrieskou. De sluier van puur wit over alles, de scherpe en strakke contouren die de winter etst.

Mijn eerste winter lag verborgen achter ijsbloemen op de ramen van een klein huis in de bollenstreek. Vroeg in de ochtend stond ik op en wilde ik naar buiten kijken. Ik zag niets. Voorzichtig blies ik mijn warme adem tegen de steenkoude ruit, daarna wreef ik het ijs weg met mijn vingertoppen. Daar toonde zich een roerloze witte wereld in grijzig ochtendlicht. Geluiden werden gedempt. Sneeuw en koude hadden de wereld tot stilstand gebracht. Het was de eerste echte winterse winter die ik meemaakte.

Maar aan de winterse landschappen, stads- en ijsgezichten zoals de schilders uit de Gouden Eeuw die oproepen, heeft niemand werkelijke herinneringen. We gaan vier eeuwen terug in de tijd. Toch wekken de schilderijen een vertrouwd beeld. Ze zijn niet onvoorstelbaar. De schilders geven de zichtbare wereld weer, die hier en daar nog bestaat. Wanneer een schaatsenrijder van nu langs Kinderdijk gaat, of Noord-Holland in, langs de Zuiderzee of Friesland door, of waar dan ook naartoe, dan is het niet verwonderlijk dat hij of zij zegt: ,,Ik waan me in een schilderij.'' Want alles is er: de kerktoren met zijn besneeuwde dak, de molens met ijspegels aan de wieken, vastgevoren boten, het gekras van andere schaatsers en, vooral, de winterluchten die zich weerspiegelen in het gladde ijs.

De schilders van de Gouden Eeuw hebben een sterke behoefte hun omgeving natuurgetrouw vast te leggen, waarbij het gaat om de reflectie van licht in de wolken, op het water en op het ijs. De Amsterdamse schilder Aert van der Neer maakt op meeslepende wijze gebruik van dit effect op zijn paneel IJsgezicht bij doorbrekend zonlicht (ca. 1655-1660). De verre horizon heeft hij zorgvuldig laag gehouden. Groepjes mensen staan rondom het bevroren meer. Een bakslede, getrokken door een paard, gaat voorbij. Kinderen en volwassenen schaatsen of vermaken zich met colf, een spel waarbij een bal van schapenleer en gevuld met runderhaar ver over het ijs wordt geslagen of een doel moet raken. Slechts met een iele lijn markeert Van der Neer de overgang van hemelgewelf, waarin de vroege zon doorbreekt, naar het ijs. Het zilvergrijze licht, met een gloed van roze erdoorheen, stroomt neer op het ijs en verdubbelt zich.

Tussen 1550 en 1750 beleefde Nederland een `kleine ijstijd'. Onderzoek van historische bronnen, zoals dagboeken en registers van handelsmaatschappijen, geeft aan dat de winters in die periode nooit kwakkelden, maar dat ze steevast voorzagen in besneeuwde velden en dichtgevroren rivieren en meren, zoals de Haarlemmermeer, die werd overgestoken met paard en slede. De Gouden Eeuw viel juist in deze ijstijd, die soms zo streng was dat koeien en kalveren bevroren in de stallen. De heersende belangstelling voor schilderijen met winterse landschappen hing met die ijzige jaren samen. Men wilde het in koude gevangen landschap afgebeeld zien, waarvan men zelf eens in de vier seizoenen onderdeel uitmaakte.

Een strenge winter betekende ook gevaar. Voedsel- en drinkwatervoorziening werden bedreigd en op het platteland dreigde een verregaand isolement. De keerzijde van dit gevaar, het vermaak en vertier op het ijs, is vastgelegd op talloze schilderijen van Hendrick Avercamp, de meester van het koude schilderij. Hij was niet de eerste die winterlandschappen vastlegde, dat was een Zuid-Nederlander als Pieter Bruegel de Oude, maar zijn toewijding aan het genre is niet overtroffen. In een fraai kabinet in het Mauritshuis hangt er een aantal bijeen, ijs met schaatsende mensen en nog eens ijs met schaatsende mensen. Maar telkens anders, telkens een nieuwe variatie en andere lichtval. De vrouwen dragen opzwierende winterrokken. Kinderen duwen zich voort met een prikslee, die vaak gemaakt is van de onderkaak van een paardengebit. Een van de allermooiste werken van Avercamp is Winterlandschap met ijsvermaak (ca. 1610-1615). Hier ligt een hele zeventiende-eeuwse wereld, verbonden met ijs, voor ons open.

Allereerst geeft de rossige avondgloed een onwezenlijke sfeer. Dit is geen ijsblauw winterland, zoals we dat zo vaak aantreffen. Het gezicht is theatraal opgebouwd. Links een huis met boom, rechts twee verweerde eiken die, net als de coulissen van een theaterzaal, optische diepte suggereren. In de rechterhoek staat een roodbakstenen gebouw, te zien aan het wapenschild boven de ingang is het een herberg. Een boot ligt gekapseisd op het ijs ter reparatie. Naar de kledij te oordelen schaatst hier de boerenmeid met de edelman, de stadse juffer met de landknecht. Over dit samenkomen van rangen en standen op het ijs, het samengaan ook van jong en oud, schreef de vroeg zeventiende-eeuwer Hugo de Groot een toepasselijk gedicht:

Hier vraagt men naer geen stand, hier is men vranck en vrij,/ Hier heeft een boeren-maegd een edelman op zij,/ Ginds ziet m'een hoofsche kwant een borgeres geleyen.

De Groot, een humanist, vraagt zich af waarom het geen wijsgeer of koning gelukt is rangen te doorbreken, en hij besluit met het wijze inzicht dat `alleen het ys' zoiets vermag. Dooit het, dan breekt een andere tijd aan, net zoals na carnaval.

De feestelijke ijspret die Avercamp schildert, heeft iets van carnaval. De mensen gaan rijk gekleurd gekleed. Elegante heren dragen hoeden met pluimen, de vrouwen een zwarte overmantel (een huik), versierd met kwastjes. Vlaggen wapperen. Het zwarte wollen of leren masker dat een vrouw draagt, heeft iets van een geheimzinnige carnavalsvermomming.

Niet alleen op dit schilderij, ook op andere valt het op dat er zelden sprake is van een hoge of steile oever. Het land vloeit in een nauwelijks merkbare, golvende beweging over in het ijs, en 's zomers in het water. Het is een indringende uitbeelding van hoe nabij het water aan de Nederlanders was, en hoe zij, seizoen na seizoen, met het water verbonden waren.

Avercamp was een geschoold schilder, hij kende de zinnebeeldige of emblematische uitbeelding van de jaargetijden die zich in de loop van de zestiende eeuw vormde. Daarin symboliseert een jong meisje de lente en een oude, eenzame man de winter. Bij de winter hoort een goed gevulde etensvoorraad. Op Winterlandschap met ijsvermaak zit die in een mand aan de linkerarm van de man helemaal rechts in de hoek. Hij heeft het hoofd afgewend van het rumoer op de ijsvlakte. Zijn baard is lang. Een hondje scharrelt aan zijn voeten.

Het zou onrechtvaardig zijn in een ijsgezicht als van Avercamp uitsluitend de vrolijke anekdotiek te zien. Tal van zeventiende-eeuwse dichters, en met name de moralisten onder hen, waarschuwden voor de gevaren van het ijs. Zij zagen in het ijs het zinnebeeld van de `slibberachtigheyt' van het menselijk leven, de wankele kortstondigheid ervan. In 1707 maakte Salomon Rustings een vermanende illustratie, Dooden Dans. Een geraamte op schaatsen achtervolgt twee schaatsers, die wanhopig wegvluchten. Eronder de tekst: `Hoe ligtlyk waagt men lyf en leven/ Op 't ys// En dus bevint men zig pas even/ Een duym twee drie maar van de Doot.'

Aan dit vers moest ik denken toen me ineens een intrigerend detail opviel op dit Winterlandschap. Midvoor is een gaaf, rondgezaagd wak uitgebeeld. Niemand schenkt er aandacht aan. De plaatsing van dat wak op die cruciale plaats is opmerkelijk. Onderschrijft Avercamp de stichtelijke gedachte dat luchthartig schaatsen, zwieren en liaisons aanknopen op het ijs juist een beeld van vergankelijkheid is? Op een ander schilderij, IJsvermaak (ca. 1610), zakt een viertal mensen daadwerkelijk door het ijs en niemand die naar hen omkijkt. Er zijn op deze tentoonstelling meer schilderijen met winterse feestvierders die in het ijswater belanden. En ook dan gaan de minder ongelukkigen door met colven, schaatsen, joyeus zwieren. Het ijs is broos, het leven kortstondig. Niemand wil het wak zien, dat wacht.

Een Hollandse winter van vroeger overleven, vereiste strijd. De midwinters zoals Van Ruisdael, Van der Neer en Rembrandt, vertegenwoordigd met zijn enige Winterlandschap uit 1646, ze schilderden, accentueren de vereenzaming. Ruisdael en Van der Neer gehoorzaamden aan de schilderkunstige opdracht om de `swaermoedighe winter-daghen' uit te beelden met `snee, haghel, en reghen-vlaghen'. Op het doek Winterlandschap in een sneeuwbui (ca. 1655) van Van der Neer verjaagt een striemende storm de mensen naar binnenshuis. Onder de loodgrijze lucht zijn de figuren nietig. De sneeuwkristallen zetten zich tegen de buigende bomen af als verwaaide, witte stippen.

Het meest woeste winterlandschap op de tentoonstelling is afkomstig van Jacob van Ruisdael, Winterlandschap (ca. 1665). Hemel en ijs tonen dezelfde kleuren: blauw, grijs, sporen van wit. De wolken dreigen de schamele behuizing aan een waterloop in een inktzwarte nacht te hullen. De kale boom naast een lage, weggedoken boerderij is beijzeld. Achter een woning steekt de mast van een zeilschip de hoogte in. Het kan een eeuwigheid duren, voordat deze boot over open water kan zeilen. Dit schilderij verwijst naar verlatenheid, en zelfs naar de dood. Links op de voorgrond is er, net als bij Avercamp, een uitgezaagd wak. De schaarse figuurtjes zijn even grauw geschilderd als het omringende landschap. Alsof ze al ten onder zijn gegaan, vastgevroren in de monochrome kleurstellingen dat hier de plaats in heeft genomen van een bont ijscarnaval. De sfeer is onherbergzaam en het duister van het noorden lijkt uitzichtloos.

Het winterlandschap kwam tot bloei tussen 1605 en 1685. Tamelijk plots hield deze traditie op. De vooraanstaande winterschilders stierven, maar dat is niet het belangrijkste reden: de donkerte van sneeuw en ijs op het doek raakte uit de gratie. Jonge, nieuwe schilders openden het perspectief naar het lichte zuiden. Geïdealiseerde Franse en Italiaanse landschappen met arcadische, mythologische taferelen veroverden de schilderkunst. Het zinnebeeld van de winter als ijskoude, eenzame man moest wijken voor lieflijke figuren die warmte uitstralen. Allereerst het voorjaar als een meisje getooid met bloemen en daarna de zomer, uitgebeeld als een vrouw, van wie de armen gevuld zijn met korenaren. Dat klopt mooi met de diepste symbolische en ook hoopgevende betekenis van het winterse landschap: zelfs in de strengste winter is de lente nabij.

Winters van Weleer. Sneeuw en ijs in het Mauritshuis, Den Haag. T/m 24/2. Catalogus ƒ74,50. Website: www.wintersvanweleer.nl.

Het ijs is zinnebeeld van de `slibberachtigheyt' van het leven

Vier mensen zakken door het ijs en niemand die naar hen omkijkt

Niemand wil het wak zien, dat wacht