Gruwelmuseum

Ik ben nu voor de vierde keer in Korea. Kort geleden las ik dat oudere Koreaanse heren een stukje van hun pink afhakten uit protest tegen het bezoek van de Japanse president aan een graf van Japanse oorlogshelden. Japanse oorlogshelden zijn in Korea Koreanenslachters.

Ik zag het al voor me, als met een karateslag. De guillotines waarmee ik het ze later op de buis daadwerkelijk zag doen vielen eigenlijk tegen, maar aan één ding heb ik nooit getwijfeld: of het waar was. Als ik dit pinkhakbericht had vernomen over protesterende varkensboeren, had ik het niet geloofd. Maar van Koreanen geloof ik het onmiddellijk.

De Seodaemun-gevangenis in Seoul werd in 1908 gebouwd. Na de Japanse inval werd hij omgebouwd tot een oord des doods. Toen Japan in 1910 Korea inlijfde om er een bruggenhoofd naar het Aziatisch vasteland te vestigen, was de aanwezigheid van zoveel Koreanen een groot ongemak. De oplossing was ze af te slachten. De officiële schattingen van het aantal slachtoffers lopen uiteen van twee en vier miljoen. Dat gebeurde onder andere in deze gevangenis. Wie niet gedood werd kreeg een Japanse naam, moest Japans spreken en de Japanse godsdienst aannemen. En een Koreaanse winnaar van een gouden medaille op de Olympische Spelen van 1924 werd gedwongen een Japanse vlag op zijn shirt te dragen.

Nu is de Seodaemun-gevangenis een monument om de Japanse tijden in al zijn verschrikking te laten herleven en de bezetting die 35 jaar duurde in herinnering te houden.

Naast gruwelijke foto's van massa-executies wordt ook het gevangenisleven zelf voor het voetlicht gebracht. Hokjes waar zelfs een Koreaan niet in past, met taps naar onderen toelopende wanden, te laag en te krap voor een volwassene, hebben uitnodigend hun deur openstaan. Je kunt zelf ervaren, zolang als je het volhoudt, hoe het zou voelen om hier drie dagen zonder eten en drinken opgesloten te zitten. Bij het openen viel het slachtoffer doorgaans verstijfd op zijn gezicht, meldt de toelichting.

Nog beeldender zijn de martelkamers. Poppen die de Japanse bezetter voorstellen, door een ingenieuze machinerie aangedreven, slaan levensecht met karwats op de gevangenen in, of priemen scherpe voorwerpen onder hun nagels. Een luidspreker brengt er ijselijke kreten bij voort.

De aanwezige bezoekers, ik ben de enige buitenlander, schuifelen gehoorzaam en eerbiedig langs de gruweltaferelen. Kinderen hebben een plankje met formulier, dat ze nauwgezet invullen voor een schoolwerkstuk. Enkele kleuters, nog zonder verplichtingen, luisteren geboeid naar de geluidsband, lopen om de martelpoppen heen, prikken met hun vingers naar de vingers van hun medekleuters, en barsten in uitgelaten vreugde uit. Volwassenen kijken naar hun spel, niemand die er wat van zegt.

Eenmaal buiten wandel ik naar de executieplaats. Het is een klein gebouwtje vlak bij de uitgang. Er zit een pop in die de Japanse `rechter' voorstelt, een `aanklager' zit aan een tafeltje opzij, en achterin het Koreaanse slachtoffer met een blinddoek voor, de strop al om de nek. Als de rechter zijn vonnis heeft geveld, trapt hij op een pedaal, de vloer onder het slachtoffer scharniert weg, en de veroordeelde bungelt aan de strop.

Onder het gebouwtje loopt een geul. Er staat een handkar in om de slachtoffers af te voeren, vol met alweer poppen. De uitgelaten groep kleuters, die met me meegelopen is, valt voor het eerst echt stil. Met hun ogen zoeken ze steun bij de zwijgende volwassenen. De nekken van de poppen in de kar vertonen een bizarre knik.

    • Marcel van den Broecke