Extase rond een soefitombe

Elke godsdienst heeft niet alleen een extremistische, maar ook een mystieke pendant. In het jodendom en het christendom is het hoogtepunt lang voorbij, maar in de islam is het soefisme nog altijd springlevend. Zo vormen in Pakistan de graftombes van beroemde soefi's nog steeds levendige verzamelpunten voor een mengelmoes van spirituele fanatici, desperado's, verstandelijk gehandicapten en psychotische zwervers.

Met de orthodoxe islam van de koran heeft het soefisme weinig van doen. Eerder is het een reactie op het gezag van de mullahs en vormt het een `geestelijk toevluchtsoord' voor recalcitrante individualisten. De soefi's en hun volgelingen (derwisjen) zijn wars van boekenwijsheid en zoeken de extase en de trance. De Arabische reiziger Ibn Battuta schreef rond 1300, de bloeitijd van het soefisme: ,,Het fundamentele doel van het soefi-leven is om door de sluiers van het menselijk verstand heen te dringen – de sluiers die de mens van het goddelijke afsluiten – om daarmee rechtstreeks in contact met God te treden.'' Soef is Arabisch voor `wol' en verwijst naar de ruwe wollen mantels die de heilige mannen in de Middeleeuwen droegen.

Dat `doordringen van de sluiers van het menselijk verstand' is dagelijks zichtbaar in het mausoleum van de wandelende wonderman Hazrat Lal Shahbaz Qalander. Deze soefi zwierf in de dertiende eeuw door heel Iran, Afganistan en Pakistan. Hij zou `alle talen van die gebieden' hebben gesproken – wat inderdaad wonderbaar klinkt – en ook `tal van wonderen hebben verricht'. Rond zijn monumentale mausoleum in het stadje Sehwan Sharif aan de Indus, zo'n honderd kilometer ten noorden van Karachi, maken de talloze bloemenstalletjes en suikerwarenwinkeltjes snel duidelijk dat het hier een locatie betreft van grote heiligheid. Binnen het gebouw is de grond bezaaid met prevelende mannen en vrouwen. Een man met een grote gouden muts draagt een foto voor zich uit van Ali Bhutto, de omstreden president van Pakistan die in 1979 werd opgehangen. Herhaaldelijk klinken woeste kreten op. Mensen rijzen op om met verdwaasde blik rondjes te lopen rond de tombe.

Erfan, die naar eigen zeggen `chauffeur was van de Britse ambassadeur' spreekt wat Engels. ,,Kom hier vanavond terug om half acht. Dan weet je niet wat je ziet.'' Door de hoge gouden deuren lopen we naar buiten.

Die avond is het drukker dan 's middags. Een jongetje biedt aan thee voor ons te halen. De fan van Bhutto is er nog, hij maakt dansbewegingen. Een man met een onmiskenbaar heilige uitstraling (een kruising tussen Jezus en Baghwan) blijkt de opzichter te zijn en waarschuwt door een megafoon voor zakkenrollers en dieven. Hij neemt met drie collega's plaats achter enorme trommels die zijn bespannen met huiden van kameel, buffel en geit.

Onder aanzwellend tromgeroffel zingt een grijsaard de kreet Allah akbar, met uithalen die meer dan een halve minuut duren. Op de binnenplaats wordt een stuk grond afgezet. Op deze `dansplaats' verschijnen mannen die zichzelf in extase brengen. De andere kant van de binnenplaats is gereserveerd voor de vrouwen. Ook daar een wild bewegen op het trommelritme, maar anders dan de mannen zitten de vrouwen op hun knieën. Stuk voor stuk zijn ze jong en mooi en dragen de haren los. Waarom ze jong zijn wordt snel duidelijk: ongekend heftig en extatisch schudden ze hun lichaam en hun hoofden heen en weer. Zweet – het is nog altijd een graad of veertig – loopt in dikke stralen over hun nek.

De vrouwen raken in extase, een voor een beginnen de meisjes hun hoofden zo hard op de marmeren vloer te beuken dat de opzichter snel dikke doeken moet neerleggen om te voorkomen dat ze zich hun schedels breken. De moeders van de meisjes buigen zich bezorgd over hen heen als ze wegzakken in een apathische trance en in slaap lijken te vallen met de ogen open. De opzichter slaat ze in het gezicht om ze tot leven te wekken.

Als we onze camera's op hen richten worden we weggetrokken. De rite is doortrokken van seksualiteit en de sfeer wordt grimmig. Hals over de kop verlaten we het heiligdom langs de mannen die onverstoorbaar doordansen op het monotone ritme van kameel, buffel en geit.

    • Micha Kat