Dwangmatige beleggers durven wel

Pensioenfondsen lijden recordverliezen op hun aandelenbeleggingen en kopen toch extra aandelen. De paradox van dwangmatige beleggers

Je moet maar durven. De Nederlandse pensioenfondsen blijven stug (inter)nationale aandelen bijkopen, ook al lijden zij recordverliezen op hun beleggingen.

In het eerste kwartaal kochten zij voor 32 miljard gulden aandelen, in het tweede kwartaal voor 12 miljard gulden en in het afgelopen kwartaal voor 19 miljard gulden, zo bleek gisteren uit informatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Dat extra geld en een deel van de bestaande beleggingen verdampte vervolgens in de koersval na de terreuraanslagen op 11 september, al zijn de koersen op de financiële markten sindsdien weer rap uit het dal geklommen. Maar bij de huidige stand van de mondiale beursgraadmeters wordt dit jaar een belabberd jaar voor aandelenbeleggingen, nog slechter dan vorig jaar, toen het doorsnee pensioenfonds een negatief rendement van 5,2 procent boekte op zijn aandelenportefeuille.

Eind september hadden pensioenfondsen 420 miljard gulden in aandelen belegd, dat is 47 procent van hun totale beleggingen. De bulk van hun aandelengeld (83 procent) zit overigens in buitenlandse bedrijven.

Door stelselmatig aandelen te kopen proberen de pensioenfondsen de verdeling van hun belegd vermogen min of meer op peil te houden. Dat hangt samen met een zekere dwangmatigheid in hun beleggingsbeleid. Pensioenfondsen gebruiken minimale en maximale percentages voor hun beleggingen in aandelen en andere effecten. Als zij door de koersdalingen onder het minimum komen, kopen zij doorgaans bij. Die strategie werkte in de jaren negentig doorgaans feilloos. Nu niet. De afgelopen maanden hebben zij dubbel verloren: op hun bestaande beleggingen in aandelen en op hun nieuwe beleggingen in aandelen.

Naast aandelen zijn effecten met een vaste rente (obligaties, hypotheken) de andere kernbelegging van de pensioenfondsen. De rendementen op deze effecten, het klassieke appeltje voor de dorst, zijn positief, maar het houdt niet over.

De opbrengsten van de beleggingen blijven daardoor ver achter bij de verwachtingen, de toekomstige pensioenverplichtingen van de fondsen zijn juist vermeerderd. De aanjagers van deze groei zijn hogere CAO-lonen en hogere inflatie.

Een op de acht pensioenfondsen (120 stuks) heeft inmiddels een verhouding tussen beleggingen en pensioenverplichtingen die tussen 100 procent en 110 procent ligt. Zij weten het wakend oog van de Pensioen- en Verzekeringskamer op zich gericht. Ongeveer 20 fondsen zitten onder de cruciale grens van 100 procent en zij moeten zeker op last van de toezichthouder actie ondernemen om hun financiële positie te herstellen.

De instrumenten doen pijn. Verhoging van de pensioenpremies. Een extra gulle bijdrage van de werknemer. Een (tijdelijke) versobering van de pensioenregeling. Of toeslagen voor stijgende prijzen (tijdelijk) niet uitbetalen. En extra vervelend: door de koersval van de aandelen is er minder of geen extra vermogen meer achter de hand voor extra geld voor aandelen, de belegging die in het verleden op langere termijn een superieur rendement bood.

Opeens is de discussie in de pensioenwereld 180 graden gedraaid. Bij de ongewoon hoge rendementen in de jaren negentig ging het over de verdeling van de lusten (lagere premies voor werkgevers en werknemers), waarbij de groeiende groep gepensioneerden, die niet of nauwelijks in de besturen van de fondsen waren vertegenwoordigd, steeds luider klaagden dat zij aan het kortste eind trokken.

Nu verdampen de lusten en staat verdeling van de `armoede' centraal. De werknemers en werkgevers blijven dominant in de pensioenbesturen, zij het dat de positie van gepensioneerden getalsmatig iets is verbeterd.