`Caféhäuslich' Oostende

Na Hitlers machtsovername in januari 1933 trekt een stroom emigranten uit Duitsland via landen als Frankrijk, Zwitserland, België en Nederland, verder naar Engeland, Scandinavië, de Sovjet-Unie en Amerika. De grote aantallen journalisten, wetenschappers, politici en schrijvers onder deze emigranten hebben gezorgd voor een berg literatuur over deze exodus. Over het Exil in Nederland bestaat een vracht literatuur; over dat in België bijna niets, mogelijk omdat de in ons buurland verblijvende emigranten publicitair minder aan de weg timmerden. België kende een actieve groep antinationaal-socialistische emigranten die, gesteund door de stevig gestructureerde arbeidersbeweging in Brussel en Antwerpen, vooral steun boden aan Duitse politieke (vooral socialistische en communistische) organisaties en vanuit België hun clandestiene acties in het Duitse Rijk voeren. Dat werk gebeurde vanzelfsprekend achter de schermen.

Toch is er ook uiterlijk wel wat te merken: in de zomers van 1936 en 1937 vormt er zich in Oostende een soort Duitse schrijverskolonie. De Vlaamse journalist Mark Schaevers vertelt in Oostende, de zomer van 1936 met een goed oog voor anekdotiek over het tijdelijk verblijf van Hermann Kesten, Irmgard Keun (die naar de kust trekt, omdat de zee `de gevoelens niet klein en benauwd laat worden en de broeiende angsten en treurnissen rijk en vruchtbaar maken kan'), Egon Erwin Kisch, Arthur Koestler, Joseph Roth, Ernst Toller, Stefan Zweig en andere schrijvers in deze Belgische badplaats. Het merendeel van de grote namen onder de emigranten benutte België voornamelijk als doorgangshuis. Zo pendelde Roth – die door Zweig naar Oostende was gelokt met de verzekering dat die plaats mooier en `caféhäuslicher' was dan Brussel – tussen Parijs en Amsterdam, waar hij uitgevers als Querido en De Gemeenschap tot wanhoop dreef door de torenhoge voorschotten die hij elke keer weer los wist te pingelen voor boeken die nooit afkwamen; Kesten resideerde voornamelijk in Parijs, van waaruit hij de voor Exil-literatuur belangrijke Amsterdamse uitgeverij Allert de Lange van advies diende.

Schaevers volgt in zijn onderhoudende en ruim geïllustreerde boek van maand tot maand de wederwaardigheden van de behandelde schrijvers, daarbij royaal citerend uit gepubliceerde briefwisselingen, memoires en andere autobiografische teksten, biografieën, romans en dergelijke. Er werd serieus gewerkt in Oostende, maar er viel ook nog veel te lachen in die tijd, lijkt het wel: eten, drank, verhoudingen, feesten en partijen. Ongetwijfeld was dat ook zo, maar Schaevers biedt een wat vertekend beeld, doordat de politieke context buiten beschouwing blijft. De tragiek van het verblijf van de Duitse vluchtelingen komt maar sporadisch aan bod. Wetenschap moet je bij Schaevers niet zoeken, daarvoor zijn zijn bronvermeldingen ook te losjes verantwoord, maar niettemin vormt zijn boek (helaas zonder register) een sympathieke proeve van een collectieve biografie.

Mark Schaevers:

Oostende, de zomer van 1936.

Atlas, 142 blz. ƒ34,90