Amerikanisten in de polder

Bill Clinton werd in Amerika bewonderd èn verguisd, maar in Nederland overkwam hem alleen het eerste. Scheidend hoogleraar amerikanistiek A. Lammers legt uit waarom. En: de lange weg van een `Rooseveltiaan'.

`Hoe vaak heb ik niet moeten horen', schrijft de amerikanist A. Lammers in Adieu Amerika, `dat ik het als docent in de geschiedenis en cultuur van Amerika wel heel makkelijk had. Hadden de Verenigde Staten wel een geschiedenis? Dat mocht dan plagerig bedoeld zijn, de humor ervan zou me uiteindelijk ontgaan. Ook in universitaire kring bleef een sluimerend anti-amerikanisme voelbaar. Ik kan het mij verbeeld hebben.'

Adieu Amerika, waarin Lammers de balans opmaakt van zijn werkzame leven, is geen vrolijk boek geworden. Als hoogleraar in Leiden werd hij regelmatig in het defensief gedrongen door collega's die de ernst en het nut van zijn vak in twijfel trokken. De fijnbesnaarde Lammers hield zich bovendien met moeite staande in de bureauoorlog: als zelfverklaard dromer had hij het niet makkelijk tegen gewiekste medewerkers en gehaaide bestuurders.

Hij werd door de bestuurders van zijn universiteit `vooral aardig en bescheiden' gevonden en was `ook wel een harde werker', maar dat hield niet in dat zij hem om zijn populaire hoorcolleges en vele publicaties bijzonder waardeerden. Aan vergaderen had hij een hekel en vleien om geld en aandacht ging hem minder goed af. De gevolgen lieten zich raden: naarmate de jaren vorderden voelde hij zich steeds minder thuis op een universiteit waar bestuurders de vingers op de knip hielden en de creativiteit beperkt bleef tot het bedenken van slogans waarmee studenten konden worden gepaaid en andere universiteiten de loef afgestoken. `Zuivere wetenschappers', aldus Lammers, voelden zich in dit intellectuele `hart van Nederland' verweesd. In de winter van zijn wetenschappelijke carrière vond Lammers troost bij de kolkende dichter en graecus Ilja Leonard Pfeijffer, met wie hij bij het koffieapparaat zijn onvrede deelde over in bezuinigingsgolven gespecialiseerde bestuurders.

Adieu Amerika is echter meer dan een nieuw bewijs dat het niet meevalt je staande te houden onder `Siciliaanse' professoren en kille universiteitsmanagers. Het boek ontleent zijn kracht aan de bespiegelingen van Lammers over de recente politieke geschiedenis van de Verenigde Staten en de beeldvorming van Amerika in Nederland.

Clinton

Sinds Franklin Delano Roosevelt kan een Democratische – of: een progressieve – president in Nederland per definitie op meer sympathie rekenen dan een Republikeinse, maar de populariteit waarin William Jefferson Clinton zich hier het afgelopen decennium mocht verheugen sloeg alles. Hij was `een van ons': een president die vanwege zijn morsige privéleven en zijn narcisme in eigen land werd verfoeid of gehaat, maar die daarom hier juist aan populariteit won. Die merkwaardige, puriteinse of `primitieve' Amerikanen begrepen blijkbaar niet wat wij intuïtief aanvoelden: dat het een feest is om door zo'n president te worden geregeerd. Clinton werd hier gezien als een briljant politicus, een begenadigd denker en een man die het hart op de juiste plaats droeg; kortom als representant bij uitstek van `het goede' Amerika.

Lammers was het met deze visie hartgrondig oneens. Hij weigerde van meet af aan zich te laten inpalmen door de vermeende charmes van de politieke gebedsgenezer uit Arkansas. Zijn aanvankelijke reserves tegen Clinton sloegen, nadat hij hier als een ster was onthaald, om in walging. Uit `balorigheid' begon hij colleges te geven over `rechts Amerika'. Aan de basis van de conservatieve opmars in de jaren zestig stond de fameuze `zwijgzame meerderheid' bestaande uit blanke burgers in de buitenwijken en in het oude zuiden van de Verenigde Staten alsmede katholieke etnische minderheden (Ieren, Italianen) in de grote steden in het noordoosten. Deze zwijgende meerderheid werd volgens Lammers in Nederland `te weinig serieus genomen'. Hetzelfde gold, zou je eraan toe willen voegen, voor de presidenten die op haar steunden: Richard Nixon – een man die hier even gehaat was als Clinton geliefd – Ronald Reagan en, hoewel hij door een `minderheid' werd gekozen die haar zwijgzaamheid inmiddels had verloren, George W. Bush.

Lammers wijst er terecht op dat deze mentaliteit – onze veroordeling van deze Republikeinse presidenten voordat zij goed en wel waren begonnen – niet wezenlijk verschilde van die van de meeste hoogleraren in Amerika. Voor liberals was hooguit Richard Nixon een legitiem studieobject, omdat hij kon worden weggezet als een karikatuur van zichzelf en zo `het gelijk' van links bevestigde: deze paranoïde machtswellusteling had nooit in het Witte Huis mogen belanden. Geen wonder dat Lammers het plan opvatte een boek te schrijven over de `beeldvorming' van deze geplaagde president. Een slopende ziekte voorkwam dat het werd uitgevoerd.

De constateringen van Lammers stemmen dankbaar en verdienen te worden uitgewerkt. Hij had daar zelf de energie niet meer voor. Misschien ontbrak het hem ook aan inspiratie: hij is naar eigen zeggen zijn hele leven een `Rooseveltiaan' gebleven: een bewonderaar van Franklin Delano Roosevelt, de president die met zijn New Deal de politiek van de jaren dertig tot en met de jaren zestig beheerste, voordat Nixon er met zijn New Federalism een einde aan maakte.

Niet alleen Roosevelt, maar ook zijn voorganger Schulte Nordholt mag zich in de sympathie van Lammers verheugen. De eerste hoogleraar amerikanistiek in Leiden (en Nederland) was volgens hem een even hartstochtelijke als erudiete man, met wie hij zijn liefde voor publiceren en poëzie deelde, alsmede zijn afkeer van besturen en Amsterdam. Schulte Nordholt, alias `Mr. Amerika', was evenals Lammers een eenling. Hij bracht zo min mogelijk tijd door aan de universiteit, reisde veel en zat overigens het liefst thuis, in Wassenaar, te schrijven. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn studiegebied, de dichtkunst en aan de berijming van psalmen. Hij is nu onderwerp van een intellectuele schets van Menno Steenhuis, voormalig directeur van de pedagogische academie in Groningen.

Pionier

Schulte Nordholt was volgens Steenhuis vooral een synthetiserend historicus, en daarin heeft hij ongetwijfeld gelijk. Hij zag het als zijn belangrijkste taak Amerika voor een breed lezerspubliek toegankelijk te maken en uit te leggen. Wat dat betreft was hij een pionier. Hij beschouwde zich ook als een christelijk historicus, in een tijd dat Nederland in snel tempo seculariseerde. In dit opzicht roeide hij dus tegen de stroom in. Een christelijk historicus, zei hij in een interview, zou `waarschijnlijk oog hebben voor de verdrukten' in de samenleving, waarbij zijn belangstelling zich niet zou beperken tot `puur materiële zaken'. Hij zette zich hiermee af tegen de marxistische geschiedschrijving, die in de jaren zestig en zeventig populair was. Toch klonk het weinig overtuigend; ook niet-christelijke historici konden en kunnen zich immers voor de verdrukten interesseren zonder dat deze belangstelling zich tot materiële zaken beperkt.

Wat Roosevelt was voor Lammers, waren negro spirituals voor Schulte Nordholt: vonk van inspiratie en basis voor een levenslange interesse. Hij was gegrepen door het rassenvraagstuk, waarover hij twee boeken schreef. Tot een derde, afsluitend boek over dit onderwerp is het helaas niet gekomen. Misschien kwam dat doordat de door Schulte Nordholt vurig gewenste (en verwachte?) emancipatie van alle zwarten uitbleef. De beweging voor burgerrechten kende na Martin Luther King geen leiders meer die zowel het morele prestige als het gezag bezaten waar blanken niet omheen konden en dat Afrikaans-Amerikanen verenigde. De beweging vergruisde, terwijl de revolutionaire geest van de jaren zestig stukliep op de `zwijgende meerderheid'.

Volgens Lammers was Schulte Nordholt pessimistisch gestemd over het presidentschap van Nixon. Wat dacht hij verder van de conservatieve wending in Amerika? Stemde hij ermee in of stond hij er kritisch tegenover? Vermoedelijk het laatste, maar Steenhuis vertelt er niets over (Nixon komt overigens niet in zijn boek voor, Reagan wordt eenmaal genoemd). Wel vernemen we dat Schulte Nordholt in de woelige jaren zestig `Amerika' trouw bleef, waar het land door de oorlog in Vietnam hier steeds kritischer tegemoet werd getreden. Wat Schulte Nordholt zelf van `Vietnam' vond, komen we evenmin te weten. De `flitsen uit zijn leven' zijn vooral kort en niet erg krachtig; ze beperken zich in veel gevallen tot een uitgebreide boekbespreking.

Voor Schulte Nordholt lag de grond van zijn identificatie met en bewondering voor Amerika bij de Tweede Wereldoorlog, bij de bevrijders van het nationaal-socialistische juk en, later, bij de ideologische strijd tegen het communisme. Lammers heeft zich vooral tot taak gesteld Nederlanders en Amerikanen die zijn helden en anti-helden op lichtzinnige wijze veroordeelden te berispen. Kenmerkend is dat hij in Adieu Amerika een `appeltje te schillen' zegt te hebben met Oliver Stone naar aanleiding van diens film over Nixon. Of met Nederlanders die Clinton in hun armen sloten. Of met Amerika zelf, dat `om allerlei redenen' veel van zijn `magie' heeft verloren. Aan het begin van zijn loopbaan hing hij een poster van de radicale burgerrechtenactiviste Angela Davis aan de muur van zijn kantoor. De afgelopen jaren gaf hij college over de racist George Wallace, de godfather van het Republikeinse conservatisme Barry Goldwater en de FBI-directeur J. Edgar Hoover. Dat is een lange weg voor een Rooseveltiaan.

A. Lammers: Adieu Amerika. Balans, 176 blz. ƒ35,04

Menno Steenhuis: Voor de Vrijheid Geschapen. Flitsen uit het leven van Jan Willem Schulte Nordholt, historicus en dichter. Meninema, 238 blz. ƒ43,85

    • Menno de Galan