99 staaltjes leesplezier

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieken deze week `Stijloefeningen' van Raymond Queneau

Een Parijse busreiziger ziet hoe een man met een lange nek en een raar hoedje ruzie maakt met een medepassagier. Later op de dag komt hij de querulant opnieuw tegen; die is dit keer vergezeld van een vriend die hem adviseert om een extra knoop aan zijn jas te zetten.

Het bovenstaande lijkt niet bepaald de stof waarvan klassieke boeken gemaakt worden; maar het is de samenvatting van Exercices de style van Raymond Queneau, een wel zeer letterlijke illustratie van het feit dat het er in de literatuur niet om gaat wat je vertelt, maar hoe je iets vertelt. Queneaus 99 variaties op een onbetekenend verhaaltje verschenen in 1947, toen de Franse taalvernieuwer (1903-76) al verschillende terloops-mathematisch geconstrueerde romans op zijn naam had staan. De Nederlandse vertaling, van Rudy Kousbroek, dateert van 1978, en werd inclusief het aansprekende voorwoord (`Raymond Queneau en de Oerhond') voor de zesde keer fotografisch herdrukt. Dat is jammer, want niet alleen zijn zo een paar kleine spel- en taalfouten blijven staan, ook is de kans gemist om het voorwoord én de verwijzingen in de vertaling up to date te maken. In welke talen behalve het Engels, het Duits en het Joegoslavisch is Exercices de style inmiddels vertaald, en wie weet er nog wie Hans Knoop is?

Exercices de style is in de eerste plaats een staalkaart van stijlvormen; voor de hand liggende, zoals `Telegrafisch' (`TRAM AFGELADEN STOP...') of `Boers' (`k Stao krek aon de halte of die tram komt `r al oanschiet'n'), en meer verrassende, zoals `Woordsamenstellingen' (`Ik achtertrambalkonde stampvol-medemenselijk'). De ene keer bouwt Queneau zijn verhaal op één stijlfiguur, of het nu de litotes of de klanknabootsing is, de andere keer legt hij een heel genre op het Procrustesbed. In de Stijloefeningen transformeert hij het alledaagse Amsterdamse tafereeltje onder meer tot een sonnet, een tanka (een uitgebreide haiku), een flaptekst, een ambtelijk schrijven, een spookverhaal, een medisch tractaat en een blijspel in drie bedrijven. Nog geestiger – want Stijloefeningen is ook een encyclopedie van leesplezier – zijn de uitzinnige transformaties: `Gastronomisch' bijvoorbeeld, dat is doorspekt met zinnen als `het krioelde van passagiers als maden in een overrijpe kaas'; en `Lipogram', zonder een enkele `e'. Deze laatste grap zou twintig jaar later door Queneau's geestverwant Georges Perec subliem worden uitgewerkt in zijn roman La disparation, waarin ook geen enkele `e' voorkomt.

Rudy Kousbroek koos er in de jaren zeventig terecht voor om de Stijloefeningen in een Nederlandse context te plaatsen; Parijs werd Amsterdam, de bus werd tram 16, de Cour de Rome werd het Jan Willem Brouwersplein (dat tegenwoordig het Concertgebouwplein heet). Ingrijpender waren zijn aanpassingen van typisch Franse variaties als `Passé simple' en `Poor lay Zanglay' (Frans op zijn Engels uitgesproken), die veranderden in `Indirecte rede' en `Afrikaans' (`Op sy kop dra hy 'n slapbandhoed met 'n toutjie'). Voeg daarbij dat Queneaus spelletjes met klanken en betekenissen rechtstreekse vertalingen uitsluiten – zo werd `Contrepetteries' `Antistrofen', met verhaspelingen als `het heelde een schaartje of er kielen vlappen' – en het mag duidelijk zijn dat Stijloefeningen evenzeer een product van Kousbroek als van Queneau is.

Bijna een kwart eeuw nadat het vertaald werd, is Stijloefeningen nog steeds een aanstekelijk boek; de verleiding was groot om deze bespreking achtereenvolgens als ode, in notatievorm, op gezwollen wijze, anagrammatisch, met kreten, of dubbelop te doen. In het spelen met taal en literatuur was Queneau, in 1960 oprichter van de `werkplaats voor mogelijke literatuur' OuLiPo, geen eenling. Zelf noemde hij als zijn grote voorbeeld Louis-Ferdinand Céline, die boeken schreef `waarin de gesproken stijl voor het eerst op volle toeren draait'; en ook de invloed van James Joyce (die in Ulysses per hoofdstuk experimenteerde met totaal verschillende stijlen) is aanwijsbaar. Maar in Stijloefeningen bereikte Queneau een ongeëvenaarde lichtheid. Als hij in de op een na laatste transformatie het hele verhaal vertelt in 25 tussenwerpsels – `Psst! hè! ah! oh! hum! ha! oef! hee! zeg! oh! puh! bah! oei! au! ach! hee! wat! hè! foetsie!/ Gut! hee! hè! hum! oho! aha!' – rest er dan ook één oordeel:

Bravo!

Stijloefeningen / Raymond Queneau

(vertaling en inleiding Rudy Kousbroek, De Bezige Bij, 150 blz. ƒ27,50).

    • Pieter Steinz