Tolerantie gaat samen met geloof in westerse superioriteit

De staat zoekt een antwoord op het anarchistisch principe van terrorisme. Dat betekent nadenken over goed en kwaad. Juist omdat mensen gelijkwaardig zijn, kan daarbij niet worden gesproken van gelijkwaardigheid van culturen, vindt H.W. von der Dunk.

Volgens velen is de wereld sedert 11 september veranderd. Opgewonden commentatoren schreven al dat voor het Nederlandse bewustzijn Hitler door Osama bin Laden als ouderwets symbool van het kwaad naar de geschiedenis was gestuurd. Maar terrorisme en vliegtuigkapingen zijn al decennialang bekend, net als fanatici die, om hun vijand harder te treffen, daarbij zichzelf opofferen. In ons mediatijdperk is de hele aardbol dichtbij gekomen. Dat versterkt een bijziendheid die elke actuele ramp uitvergroot ten opzichte van vroegere calamiteiten. Daar staat tegenover dat de algemene perceptie van een gebeurtenis zelf een historische factor kan worden.

Dat de septemberaanslagen een uitzonderlijke schok hebben veroorzaakt, heeft drie redenen. Allereerst de diabolisch berekende effectiviteit, waardoor behalve de honderden passagiers ongeveer vijfduizend slachtoffers vielen. Zo'n massamoord was nieuw en terecht wordt gesproken over een nieuwe fase van terrorisme.

Ten tweede het doelwit: Amerika, New York, Washington! De onaantastbare supermogendheid, symbool voor het westen, zijn rijkdom en technologische suprematie, had een forse deuk gekregen. Amerika moest – geheel los van de emotionele schok voor een natie die nooit op eigen bodem vijandig geweld had ondervonden – ter wille van zijn geloofwaardigheid, macht en prestige onmiddellijk met een krachtige reactie op zo'n vernedering komen. Een koele rationele repliek in de geest van de 18e-eeuwse geheime kabinetsbesluiten is in het tijdperk van de democratie met haar onvermijdelijke vermenging van realisme en moralistische retoriek, ratio en reclame, onmogelijk.

Het kon niet uitblijven dat de vernietiging van die twee zo onbeschaamd lelijk en hoog in de hemel priemende torens de herinnering opriep aan de befaamde mythe van gestrafte hoogmoed, de toren van Babel. Dat voor fundamentalisten, islamitische zowel als christelijke, die duiding van een bestraffing voor de hand lag, moet ons ertoe aanzetten de grondslagen van onze westerse cultuur, met haar achteloos denken in kwantitatieve grootheden en causaliteiten, technische en psychotechnische begrippen en probleemoplossingen, nog eens goed onder de loep te nemen.

In de derde plaats zijn de staat als handhaver van de orde en de technologische samenleving als zodanig te kijk gezet. Individuen kunnen met kern- of biologische wapens, die tot nog toe door staten waren beheerd, een wereldanarchie van ongekende omvang veroorzaken. Dat gevaar was al met de eerste vliegtuigkapingen en terreuraanslagen aan de horizon opgedoemd, en het kreeg duidelijker contouren naarmate het moderne informatienetwerk de verspreiding van vernietigingstechnieken vergemakkelijkte.

De maatschappij zoekt nog naar een afdoende antwoord op het anarchistische principe van het terrorisme. Ongeacht hun ideologische of religieuze signatuur of staatsvorm, ontstaat tussen regeringen een nieuw gevoel van collegialiteit tegenover het staats- en ordebedreigende terrorisme. In het traditionele oorlogsmodel bestrijdt een staat die is gebaseerd op een collectieve orde, een andere staat die op datzelfde principe berust. In dat opzicht behoren democratieën en dictaturen tot dezelfde familie. Dit geijkte denken in tegenstellingen tussen staten en hun systemen heeft geleid tot partiële blindheid, waarbij het terrorisme als secundair gevaar werd overschaduwd door de ingesleten vijandigheden. In de eerste plaats gebeurde dit bij Amerika zelf, dat elke bondgenoot tegen het communisme en de voormalige Sovjet-Unie omhelsde en, zoals bekend, Bin Laden als pion in dat spel heeft opgetuigd.

Terrorisme is niet nieuw – zie de bommenanarchisten aan het einde van de negentiende eeuw. Maar het terrorisme van de laatste halve eeuw onderscheidt zich door het chantage-karakter. Met de moord op onschuldigen speculeren de daders op de humanitaire normen van de samenleving.

Dat brengt ons op de kardinale kwestie: Wat bezielt een terrorist? We kunnen ons er niet vanaf maken door enkel te spreken van gestoorde breinen. Er is, bij alle uiteenlopende vormen en doelstellingen van terrorisme, een gemeenschappelijke ratio. Daarbij ontkomen we niet aan de oervraag van de menselijke samenleving, de vraag naar goed en kwaad.

Voor de grote monotheïstische godsdiensten geldt: waar slechts één God en dus één waarheid bestaat, is zowel een besef van de universele solidariteit van alle mensen gegeven als het streven alle mensen van het licht van die ene God en waarheid te doordringen. Dat impliceert in beginsel intolerantie jegens de onverlichten. Die gespletenheid loopt als een rode draad door de hele geschiedenis: God of het goede maken aanspraak op universele geldigheid en tevens openbaren ze zich allereerst in de waarden en het geloof van de eigen gemeenschap. Daarmee is dan weer de strijd en de heiliging van alle middelen in naam van het heilige doel gerechtvaardigd.

De Verlichting en de secularisatie van het moderne denken hebben sedert meer dan twee eeuwen binnen de westerse wereld de religieuze motivatie van politiek handelen vervangen door het idee van een rechtvaardige samenleving, gebaseerd op menselijke vrijheid, gelijkwaardigheid en mondigheid. Het goede had nu een geseculariseerd gezicht gekregen dat als licht aan de einder van de historische wandeltocht wenkte. Maar de kloof tussen idee en werkelijkheid zorgde voor frustraties en felle tegenstellingen sociale, nationale, ideologische. De ideale toekomst had niet voor allen hetzelfde gezicht. De schrijnende sociale contrasten staan aan de wieg van de grote Europese bewegingen die de ware heilstaat van werkelijk gelijken verkondigden.

Door de totalitaire ontsporingen van vorige eeuw is onze welvaartssamenleving wijzer geworden. Zij heeft waarheden en waarden leren relativeren. Als beste en enig legitieme maatschappijvorm geldt de democratische omdat ze geen bindende uitspraak wil doen over de waarheid. Het is deze heikele paradox die de democratie kwetsbaar maakt tegenover elk geloofsfanatisme, omdat ze zich baseert op een puur pragmatisch-utilitaire waarheid die geen transcendente wortels heeft.

Zo'n waarheid die diverse waarheden toelaat, vervangt het waarheidsbegrip door management van de menselijke behoeften en belangen. Waarheid is verhuisd naar het persoonlijk-intieme bereik. Maar een uitzondering op het relativeren van waarheden en waarden vormen juist deze waarheid van de relativering en de waarden van democratie, tolerantie, antiracisme en mensenrechten. Langs een omweg hebben deze waarden het aanzien van een universele heilstaat aangenomen. We kunnen dat niet ontkennen zonder verraad aan ons zelf. In dat opzicht is de mondiale overwinning van een westerse democratie onze natuurlijke wens en doelstelling; alle gepraat over de gelijkheid van culturen en godsdiensten ten spijt.

Dat idee van de gelijkheid van culturen bevat een ongerijmdheid, aangezien het als idee de superioriteit claimt boven ideeën van ongelijkheid. Men kan erover twisten of een Berlusconi nu de aangewezen figuur was om luidkeels de superioriteit van de westerse cultuur te verkondigen en of het moment erg tactisch was gekozen, maar in het verontwaardigde geschreeuw over zijn opmerking trilt heel wat zelfbedrog mee, zo niet schijnheiligheid. In feite verwoordde hij wat de meesten in het westen alsmaar krampachtig proberen niet te denken.

Maar is dan de westerse cultuur echt superieur? Om te beginnen: een cultuur is nooit een eenheid, en voor geen enkele cultuur geldt dat zozeer als voor de onze, want in geen enkele herkennen we zo'n heterogene erfenis – klassieke oudheid, jodendom, christendom, invloeden van buiten-Europese beschavingen, oosterse mystiek, Arabische reken- en sterrenkunde, en dat alles nog weer gebroken door het bonte spectrum van vele nationaliteiten. Het is de historische cultuur bij uitstek, de cultuur van het dynamische veranderingsbesef.

De fixatie op economische groei, de gelijkstelling van geluk en vrijheid met vrije tijd, vakantie op Tenerife of een bungalow in het buitenland – dat is ook huidige westerse cultuur, evenals een uiterst besmettelijke corruptie, hooligans, vandalisme, daklozen, kinderporno. ,,Betreurenswaardige misstanden die niets met onze cultuur te maken hebben en niets afdoen aan haar democratische waarden!'' zal men direct roepen. In hoeverre die zaken te maken hebben met onze cultuur en democratie, is een kwestie die een aparte lezing vergt. In elk geval hebben ze, en wel zeer zichtbaar, met onze maatschappij te maken. Precies daar ligt de achillespees: bij de discrepantie tussen het ideële kompas en de alledaagse werkelijkheid, bij die permanente verkrachting, vervalsing, verwaarlozing van waarden in dienst van materiële belangen, in de onweerstaanbare corruptie van macht en rijkdom. Omgekeerd valt er uit de schat van andere culturen, waaronder de islamitische, ook te leren, zaken als eenvoudige solidariteit, gastvrijheid, generositeit, die in onze maatschappij minder vanzelfsprekend zijn geworden.

Desalniettemin mag de alledaagse praktijk en de deels door economische en machtspolitieke belangen beheerste politiek van Amerika en het westen niet worden verward met de vraag naar de waarden zelf, het ideële kompas waar de samenleving op vaart. Dat mensen potentieel gelijkwaardig zijn, maakt het ideële kompas waarop culturen varen nog niet gelijkwaardig. Waar met een beroep op het geloof de steniging van een ongehuwde moeder mogelijk is terwijl de man vrijuit gaat, vrouwen tot levenslang huisarrest en horigen kunnen worden vernederd, bloedwraak als morele plicht kan gelden, onthoofding kan worden geëist, kan, juist omdat mensen gelijkwaardig zijn, moeilijk worden gesproken van gelijkwaardigheid van culturen. Wanneer in het verleden ook het christendom voor fanatieke breinen de meest barbaarse praktijken heeft gelegitimeerd, dan is het na de Verlichting voldoende gehumaniseerd om zich in elk geval niet meer als legitimatie van dit soort atavistische wreedheden te lenen.

Het terrorisme dat zich beroept op een fundamentalistisch-islamitische heilstaat plaatst het westen daarmee voor een lastig politiek en maatschappelijk dilemma. De uitroeiïng van elk soort terrorisme geniet op dit moment allerhoogste prioriteit, omdat het elke maatschappelijke orde als zodanig bedreigt. Daarbij moet alleen de blunder van gisteren worden vermeden, dat men nu een potentiële vijand van morgen grootbrengt om de aartsvijand van vandaag te bestrijden. De massieve bombardementen blijven, nog afgezien van de menselijke catastrofe in Afghanistan, koren op de molen van het anti-Amerikanisme en laten traumatische sporen na.

Het maatschappelijke dilemma dat ons allemaal raakt, is dat van onze eigen waarden. Het gelijkheidscredo kreeg na 11 september een scheur. Enkelen achten het moment gekomen om tegen dat credo en die tolerantie ten strijde te trekken. Dat is een teken hoe zich in een gevaarlijke situatie onmiddellijk elementaire gevoelens roeren. Er is behoefte aan een houvast dat het waardenrelativisme niet vermag te geven. Wie echter met een beroep op de superioriteit van de eigen cultuur de tolerantie ondermijnt, berooft die cultuur juist van datgene dat haar superioriteit uitmaakt. Tolerantie en geloof in die superioriteit kunnen samengaan, maar – en dat is het cruciale punt – ze mogen niet worden verward met gelijkheid. Uiteindelijk kan de superioriteit van waarden alleen maar blijken door gaandeweg ook door anderen te worden erkend. Wat eerst nog onvermijdelijk arrogantie heet, zal dan bevrijding heten.

Als de westerse waarden deze vuurproef willen doorstaan, dan is dat door het niet te laten bij de bestrijding en uitroeiïng van terroristisch geweld. Dat wordt op zich zelf algemeen erkend. Zolang de enorme kloof in rijkdom tussen de westerse wereld en andere werelddelen niet vermindert, zullen de armen en wanhopigen, terecht of ten onrechte, het rijke westen verantwoordelijk stellen voor hun ellende en zullen er altijd fanatici opkomen die als martelaren voor een heilstaat elk wapen legitiem achten. Geweld dwingt ons dan telkens tot tegengeweld. Dat betekent dan weer beschadiging van onze cultuur en onze waarden. Misschien is dat onvermijdelijk. Van essentieel belang blijft dat we ondanks die beschadiging het kompas van die waarden niet kwijtraken en dat we die waarden niet verwarren met de zelfbewust omhoogrijzende torens van technologische prestaties en macht, die van de weeromstuit als de alternatieve mondiale heilstaat gaan uitroepen.

Prof.dr. H.W. von der Dunk is emeritus hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dit is een bewerking van de Dr. J.Tanslezing die hij gisteravond heeft uitgesproken op de Universiteit Maastricht.

    • H.W. Von der Dunk