Nieuwe coalitie moet andere basis krijgen dan Paars 1 en 2

Bij het vormen van een nieuwe coalitie na de verkiezingen van volgend jaar moet het gaan om overeenstemming op programmatische punten, met een centrale plaats voor gemeenschapszin en overheidsbetrokkenheid, vindt Ad Melkert.

Of het leven van Paars ten einde loopt is nog maar de vraag. De verhoudingen na 15 mei volgend jaar zijn nog ongewis en waarom zou de politieke samenwerking van de afgelopen ruim zeven jaar ook niet een goede basis kunnen zijn voor het oppakken van de agenda van de komende tijd?

Toch is er een periode aan haar einde gekomen. Een periode die – toevallig of niet – samenvalt met de paarse doorbraak. Nederland staat aan de vooravond van grote vernieuwingen.

De uitkomsten kennen we nog niet, de aansporingen en de aanzetten des te meer. Het is de kunst de noodzaak tot verandering te begrijpen, zonder het fundament op het spel te zetten dat nu juist zo veel steviger is geworden onder leiding van Wim Kok: de groei, de werkgelegenheid, de openbare financiën, een klimaat van samenwerking, ondernemerschap en vertrouwen.

Waar is vernieuwing het hardst nodig? In de organisatie van de internationale betrekkingen; in de verbetering van de dienstverlening en handhaving door de overheid; in de maatschappelijke ondersteuning van mensen in hun verschillende levensfases; in de sociale en culturele integratie van nieuwkomers en hun kinderen.

Het gaat daarbij om meer dan beleidskeuzes. Fundamenteler gaat het om democratie en transparantie in het internationale en nationale handelen van de overheid. En om keuzevrijheid van mensen om hun leven zelfstandig vorm te geven en volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving. Deze vraagstukken bestaan natuurlijk al langer, maar ze zijn in de relatief voorspoedige jaren negentig blijven bestaan omdat werk en consumptie binnen meer traditionele patronen voorrang kregen.

In de internationale verhoudingen hebben de gebeurtenissen van en na 11 september blootgelegd dat de groei van de Europese Unie met horten en stoten gaat. We mogen van geluk spreken dat de opvattingen van Blair, Schröder en Chirac in dezelfde richting wijzen. Maar hoe zou het zijn gegaan bij tegengestelde belangen? En wat zal er in de toekomst gebeuren wanneer van de Unie een zelfstandige militaire bijdrage zou worden gevraagd – bijvoorbeeld bij escalatie van conflicten op de Balkan? Wie is aanspreekbaar en – meer dan nu Solana – ook in staat tot leiderschap?

Deze week was Bodo Hombach, de coördinator voor het Stabilititeitspact op de Balkan, op bezoek. Hij schetste een verontrustend beeld van de grote afstand tussen de Eurobureaucratie en de politiek verantwoordelijke Commissarissen.

Europa is politiek niet toegerust voor het spelen van een hoofdrol in de wereld die we vandaag aantreffen. `The world needs a global alliance for security' werd vorige week in de Herald Tribune vanuit Harvard, Berlijn en Moskou bepleit. Een waarschuwingssignaal voor met name de kleinere lidstaten van de Unie.

Op het terrein van justitie en politie worden inmiddels al grote stappen gezet, zodat nationale zeden en gewoonten hun plaats vinden binnen het grotere geheel. Dit patroon zal zich steeds meer en verdergaand herhalen. Het afdingen op deze ontwikkeling is niet kansrijk en ook niet nodig.

Waar wij ons op moeten richten is het versterken van democratische checks and balances. Dat is op weg naar de intergouvernementele conferentie van 2004 een steeds existentiëlere opgave.

In eigen land heeft het debat deze week over de handelwijze van het openbaar ministerie in de bouwfraudezaak blootgelegd dat er kennelijk een geheime afdeling is in ons publieke domein. En dat juist op die plek waar getoetst moet worden of de handhaving van regelgeving ook wel voor iedereen in gelijke mate geldt. Dat is niet aanvaardbaar. De Kamer heeft hier belangrijke stappen gezet om transparantie en verantwoording te vergroten.

Dat is een verdere stap in een politieke ontwikkeling die zich kenmerkt door afnemende ideologie en groeiende afkeer van formalisme. We bevinden ons steeds meer in een schijnwerperdemocratie: de feiten moeten tellen en de regels en hun handhaving moeten normen stellen vanuit erkenning van de werkelijkheid. `Misdaad laat zich tegenhouden' heette het recente advies van de projectgroep onder leiding van politiecommissaris Van Riessen. Een titel die boekdelen spreekt omdat het niet de open deur is die hij in een geordende samenleving waarin ieder zijn verantwoordelijkheid kent zou moeten zijn.

Het publieke domein is weer in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Dat is de winst van het herstel uit de economische en financiële malaise en de daarop volgende balansverbetering onder paars. Maar eenmaal in de schijnwerper gezet blijken ook de ontmoediging van initiatief, de versluiering van verantwoording en het sluipende verlies aan status van het werk in onderwijs, zorg en hulpverlening. We zullen de professionele uitoefening van hun vak door de politieagent, de leraar, de arts of de verpleegkundige de ruimte moeten geven. En dan ook, waar dat mogelijk is, het recht om een beroep te doen op publieke diensten democratiseren: niet het institutionele belang, maar de individuele voorkeur treedt dan meer op de voorgrond.

Dat is ook de sleutel voor het verbeteren van de nog lang niet voltooide herverdeling van aspiraties en taken tussen mannen en vrouwen. De levensloop – van kinderopvang via recuperatieverlof tot en met het flexibel pensioen – zal zo ondersteund moeten kunnen worden dat keuzevrijheid echt iets betekent. En dat geldt ook voor de bevrijding uit de marge voor veel nieuwkomers door middel van taal, werk en maatschappelijke participatie. Integratie niet alleen als kans maar ook als plicht – ook voor jongeren die nu nog tussen de mazen van onze vrijblijvende aanbiedingen doorschieten.

Terug nu naar de coalitievraag. Er zijn twee manieren om die te beantwoorden. In de ene variant komt een coalitie tot stand op basis van enkel een belangenruil. Die was het startpunt voor Paars in 1994. Gaandeweg kreeg de politieke vernieuwing waarin was geïnvesteerd meer maatschappelijke dynamiek en groeide een klimaat van optimisme waarin initiatief kon gedijen.

In de andere variant, die mijn voorkeur heeft, bepalen programmatische oriëntaties, zoals hiervoor aangegeven, de voorwaarden waarop partijen zich kunnen verenigen. Dit vereist debat en de bereidheid uit te dagen en uit te nodigen.

In hun bundel `Leven na paars?' pleiten Jet Bussemaker en Rick van der Ploeg voor een gang naar het ,,radicale midden''. Daarbij gaat het om de bereidheid tot ingrijpende maatschappelijke vernieuwing in combinatie met het verwerven van een breed draagvlak voor verandering.

Dit pleidooi valt samen met een nu snel doorzettende herwaardering van gemeenschapszin en overheidsbetrokkenheid. In luttele dagen tijd hebben de moed en inzet van de brandweermannen en politieagenten in New York City onze afhankelijkheid van publieke diensten en de daarmee verbonden waarden herbevestigd na een lange periode van dominante `free for all'-mentaliteit.

Dat is wat het bijzonder actueel maakt te speculeren over het leven na Paars. Met het daaraan toegevoegde vraagteken wordt terecht aangegeven dat de politieke vertaling hiervan nog wel even op zich kan en zal laten wachten. Al was het maar omdat de keuze voor de gemeenschap en de balans tussen privaat en publiek (`is het ieder voor zich of doen we het samen?') de kern raakt van de verschillen tussen met name het conservatief-liberale en het sociaal-democratische programma. Ook in het leven na Paars (?) valt nog veel te kiezen.

Ad Melkert maakt deel uit van de Tweede Kamer en is voorzitter van de fractie van de Partij van de Arbeid.

    • Ad Melkert