Het land van de roofridder

In een fotoboek over het oude Ommen valt te lezen dat er in de Oudheidkamer een bliksembuis of fulguriet te zien is - een in het zand gestolde bliksemschicht. Merkwaardig! We bladeren nog even verder door het album, dat op de koffietafel ligt van restaurant Wildzang, vlak bij het station van Ommen. Een heel hoofdstuk is gewijd aan de Vecht, die het vestingstadje doorsnijdt. Begonnen als smeltwatergeul, ontwikkelde de Vecht zich tot een regenrivier met vele stroomdalen, zijtakken en dode armen. Schepen op de Vecht brachten goederen en welvaart naar Ommen.

,,Wat voor goederen?', vraag ik aan de waardin. ,,Stenen', zegt ze tot mijn verbazing. Het blijkt om Bentheimer zandsteen te gaan, een zachte natuursteen die bij de bouw van talloze kloosters, kerken en kastelen werd gebruikt.

We bedwingen de neiging om naar de Oudheidkamer te gaan. Want we zijn niet voor de bliksembuis naar Overijssel gekomen, maar voor Maarten van Rossum. De nieuwe editie van het naar hem genoemde Lange Afstand Wandelpad dwaalt en kronkelt over 322 km van Ommen naar Den Bosch. Onderweg doet het Pad heel wat burchten en buitens aan, ook die van de Gelderse veldheer Van Rossum, die zich in de zestiende eeuw vechtend en plunderend een geduchte reputatie verwierf.

In het bos achter `Wildzang' ontdekken we een ijskelder, die toebehoort aan de verderop gelegen havezate `Het Laar'. De ijskelder is de voorloper van de koelkast: in strenge winters hakte men stukken ijs uit de slotgracht en bedekte daarmee op een speciale manier de drank- en voedselvoorraad. Door de blokken in lagen zaagsel te verpakken, duurde het jaren voordat het ijs was gesmolten. De ijzeren deur van de kelder is voorzien van een soort brievenbus - het is het vlieggat voor vleermuizen die tegenwoordig in de kelder overwinteren.

Vanaf het station volgen we een pad met de geheimzinnige naam `Wolfskuil'. Een eindje voor ons lopen twee mensen met de NS-wandeling Ommen-Dalfsen bij zich. Dat is handig, denken wij, daar moeten wij ook heen, dus dat bespaart kaartlezen en uitkijken naar de bekende rood-witte logo's. Fout! Want hoewel de meeste NS-wandelingen een stukje van een LAW volgen, is dat dit keer slechts gedeeltelijk het geval.

Na wat omtrekkende bewegingen komen we bij een rivier die omzoomd wordt door hoogopgaand geboomte in herfstkleuren. Het blijkt de Regge te zijn, een zijtak van de Vecht. Ritselend doorkruisen we een beukenbos waar de grond met een bladerentapijt is bedekt. In Vilsteren, dommelend aan een doodlopende meander van de Vecht, stuiten we op het eerste landgoed. Dit wordt niet beheerd door Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer, maar is nog steeds eigendom van particulieren. Het landgoed is een B.V. van de familie Cremers (geen adel), een naam die sinds 1850 met Vilsteren verbonden is. Van de rentmeester horen wij dat op het landgoed bijna alles in erfpacht is uitgegeven. Daarmee verzekert de B.V. Vilsteren zich van vaste inkomsten, terwijl zij toch haar invloed kan blijven uitoefenen; een pachter kan zijn huis bijvoorbeeld niet aan een begerige stedeling verkopen. Het beleid van de overheid is eveneens van belang. Die is zich steeds meer voor landgoederen gaan interesseren, vaak eilanden van rust in het verkavelde, monotone agrarische landschap. Zo wordt er geld neergeteld voor het beheer van bos en weidegronden die in hun `natuurlijke' staat worden gelaten. Zo zijn de economische pijlers van een modern geleid landgoed erfpacht, pachtbetalingen en subsidies.

Op weg naar de Vecht passeren we rietgedekte boerderijen; de groen-gele luiken vertellen dat we ons nog steeds op het landgoed bevinden. Aan de oever van de rivier staat een witbescheten aalscholverboom - op de dode takken laten de vogels hun vleugels drogen.

Door een open landschap, over dijken en klinkerwegen buigen we om Hessum heen, waar een statig huis met oprijlaan de aandacht trekt. De veldnamen rond het gehucht vertellen het verhaal van het oude gemengde bedrijf dat naast het bouwland (es) en de heide (veld) ook de natte weilanden bij de rivier (mars) in gebruik had.

Bij Kasteel Rechteren, ooit een roofslot op een eilandje in de Vecht, worden nieuwsgierigen met strenge woorden op afstand gehouden. Het huis wordt particulier bewoond. De Hertog van Gelre, de broodheer van Maarten van Rossum, hield hier enige tijd domicilie. Over de Houtmars en de es van Millingen gaat het pad naar het afgelegen station van Dalfsen. De wandelgids maakt geen woord aan het dorp vuil. De naam ontbreekt in het `Groot Museumboek' en er is ook nooit, volgens `Querido's Letterkundige Reisgids' een schrijver geboren. De Vecht, die stenen en welvaart naar Ommen bracht, leverde Dalfsen niets op. Zelfs het Maarten van Rossumpad laat het dorp links liggen. Maar wie goed kijkt, krijgt een brug in het oog die met sierlijke blauwe bogen de vreemdeling naar zich toe wenkt.

Maarten van Rossumpad, nieuwe editie. LAW 4, Ommen-Den Bosch v.v. Uitgave NIVON.

Gerectificeerd

Roofridder

Op de foto bij het artikel Het land van de roofridder (in de krant van donderdag 29 november, pagina 23) staat niet kasteel Regteren, zoals het onderschrift vermeldt, maar Huis Vilsteren.

    • Gerrit Jan Zwier