Van Gijzel

Met de nodige dramatiek heeft het Tweede-Kamerlid Van Gijzel (PvdA) gisteren zijn onmiddellijke vertrek aangekondigd. Hij wilde niet verder als ,,parlementariër met een slot op de mond''. Evenmin wilde hij door het parlementaire leven als dissident of querulant. En zodoende restte hem volgens eigen zeggen nog maar één mogelijkheid: opstappen. Zijn verhaal lijkt in eerste instantie principieel. Maar toch valt er wel het een en ander op af te dingen.

De directe aanleiding was Van Gijzels bemoeienis met de bouwfraude. In een motie riep Van Gijzel samen met zijn CDA-collega Leers het kabinet eerder deze maand op in beroep te gaan tegen de beslissing van het openbaar ministerie bedrijven die hadden gefraudeerd bij de aanleg van de Schipholtunnel niet te vervolgen. Het was een motie die het onmogelijke vroeg en minister Korthals (Justitie) heeft dan ook op adequate wijze duidelijk gemaakt waarom het kabinet deze motie niet kan uitvoeren. De Staat der Nederlanden kan moeilijk in beroep gaan tegen een beslissing van een orgaan dat onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie valt.

PvdA-fractievoorzitter Melkert heeft in deze zaak duidelijk in zijn leidende rol gefaald. Veel ellende zou immers achterwege zijn gebleven wanneer de deskundigen in de PvdA-fractie Van Gijzel van meet af aan van zijn `heilloze' motie hadden afgehouden. Nu dit niet is gebeurd, zijn bij Van Gijzel bepaalde verwachtingen gewekt. Hij meende met steun van zijn fractie Korthals aan zijn motie te kunnen houden.

Van Gijzel maakte op zijn beurt een fout door al in een vroeg stadium in het openbaar te zinspelen op politieke consequenties voor de minister van Justitie als deze de motie naast zich neer zou leggen. Dit soort oordelen die de coalitie rechtstreeks raken horen bij uitstek toe aan de politieke leiding. Bovendien was het bij Van Gijzel een geval van recidive. In de zaak rond de Bijlmerenquête vermengde hij ook al de politieke en zakelijke beoordeling.

De vraag is dus hoe solistisch een Tweede-Kamerlid kan opereren. Aan de ene kant is er de wet die zegt dat Kamerleden `zonder last' hun werk dienen te verrichten. De realiteit is echter dat het merendeel van de Kamerleden deel uitmaakt van een fractie, waarin taken en verantwoordelijkheden zijn verdeeld. In dat spanningsveld moeten Kamerleden kunnen opereren. Van Gijzel heeft gisteren te kennen gegeven dat niet te kunnen. Hij wilde zich niet neerleggen bij het feit dat Melkert in de bouwfraudekwestie de lijn wenste uit te zetten.

Voor de buitenwereld is nu het beeld ontstaan van een gemuilkorfd Kamerlid. Maar in werkelijkheid gaat het in deze zaak om een Kamerlid dat in eerste instantie het recht en vervolgens zijn plaats niet kende.