Contact

We gaan naar county Mayo, de noordwesthoek van Ierland. Daar hopen we de autowegen, files en poenerige bungalows te ontvluchten, waarmee de Celtic Tiger zichzelf volstouwt. En inderdaad: de heidevelden zijn er gigantisch, de wegen smal, pokdalig en verlaten. Hoewel het hier toch ook westkust is, is het benoorden Achill Island nooit toeristisch geworden.

Een klein bordje geeft aan dat we in de Gaeltacht zijn, waar Gaelic (Keltisch) de eerste taal is. We rijden over een holle weg tussen muurtjes die door mos en wilde bloemen overwoekerd zijn. Een trekker met aanhangwagen blokkeert de doorgang. De bestuurder heeft de motor afgezet en kijkt voor zich. Wacht hij op een overstekende schaapskudde? We stappen uit om poolshoogte te nemen en zien twee parende ezels, dwars op de weg.

Op de trekker zit een verschrompeld mannetje. Bruin, glimmend colbertje, slobberbroek, ruime pet met lange klep. Ingevallen wangen, pruimend bekkie. Hij beantwoordt onze groet niet. Het is een fossiele, roestige trekker. De banden zijn afgeragd. Er zitten enorme gaten in, volgepropt met stro.

Zwijgend kijken we naar de zwetende en hijgende ezels. Zwaaiend als een brandweerslang zoekt de ezelpenis zijn weg. Ineens zegt de man onder zijn donkere pet: ,,Better not distorb 'em.''

We knikken en wachten tot de ezels pompend de berm in zijn gewankeld.

Bij een buurtschap volgen we het steil dalende weggetje dat in zee doodloopt. Links en rechts verrijzen rossige heuvels, maar hier is het vlak en grazig genoeg voor onze tent. Een gebogen mannetje nadert door het veld. We vragen of het mag, tent opzetten. Hij antwoordt niet. We zetten de tent op, vechtend met de zeewind. De man blijft staan kijken, zijn pet over de ogen. Bruin, glimmend colbertje, slobberbroek... Dezelfde man als op de trekker? We vragen hem of hij een pub weet. Hij mompelt iets en wappert een hand richting weggetje. Je kunt ook maar één kant op hier.

In het dorp stormt een klein, zwart-wit schaapshondje blaffend op de auto af. Nergens loopt een mens. We hopen op een pub met pubmeals. Bij één van de grijze huisjes staan lege kratten. We proberen de deur en betreden een kleine kamer die in de lengte verdeeld wordt door een plank op palen: de toog. Twee mannen hangen aan de toog te praten met de kroegbaas. Ze staken hun gesprek en staren ons aan. Niemand groet terug. We bestellen Guinness. De barkeeper kijkt, zwijgt en steekt traag een hand uit. Na betaling haalt hij twee blikjes te voorschijn. Een tap is er niet.

De mannen draaien ons alle drie hun rug toe en praten verder, ons af en toe een donkere blik zendend. Ze spreken gedempt, maar de rauwe klanken verraden dat het Gaelic is. Ze roken Old Majors en drinken hun Guinness uit een glas, wij uit ons blikje.

We moeten de waterfles nog vullen. Nergens is een wc te zien. ,,Excuse me'', hakkel ik. Dreigend draaien de mannen hun hoofd om. ,,Toilet?'', piep ik. Zwijgend gestaar. Dan maakt de kroegbaas een vermoeid armgebaar richting buitendeur en de oceaan in de verte. Niemand groet terug als we de aftocht blazen.

We warmen iets op voor de tent en kijken naar zee. De man is weg. Na een korte plons in de koude zee gaan we slapen.

Ik word vroeg wakker. Het schemert nog. Er scharrelt iets rond de tent. Links, rechts, achter. Dan weer stil. We liggen muisstil te luisteren. Daar schuifelt weer iets. Ik dommel weer in. Als we opstaan, zit het mannetje in het gras naast de tent. Hij staat moeizaam op, schuifelt naderbij en neemt mij apart. Met zijn hand voor zijn mond mompelt hij samenzweerderig: ,,How's the contact in a tent?''

    • Koos Dijksterhuis