Voor journalisten is oorlog niet alleen een hel

Gisteren werd in het noorden van Afghanistan een Zweedse cameraman gedood, het achtste slachtoffer in korte tijd. Wat bezielt journalisten om toch steeds weer naar oorlogsgebieden te gaan?

Niet één Britse of Amerikaanse soldaat is tot nu toe omgekomen bij de militaire acties in Afghanistan. Wel zijn er al acht oorlogscorrespondenten gedood. De conclusie is onontkoombaar: het is tegenwoordig veiliger om bij een krijgsmacht te horen, dan om een afgevaardigde te zijn van de media. Hoe kan dat?

Degenen die zijn omgekomen waren allemaal ervaren correspondenten die het risico acceptabel achtten. Hebben ze de situatie verkeerd ingeschat? Was het domme pech? Of is er een andere reden waardoor het aantal slachtoffers onder journalisten zo'n hoge vlucht heeft genomen? Worden ze bijvoorbeeld als een legitiem doelwit beschouwd? En zo ja, wie is daarvoor dan verantwoordelijk?

Vroeger werden oorlogscorrespondenten als neutrale, objectieve waarnemers zelden door vijandige soldaten beschoten. In de Amerikaanse Burgeroorlog stelde generaal Irvin McDowell serieus voor om journalisten een wit uniform te laten dragen zodat ze herkenbaar waren en ,,om de zuiverheid van hun karakter aan te geven''. De status van niet-strijder bleef zelfs in de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd. Ja, er stierven toen wel oorlogscorrespondenten, maar meestal door op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats te zijn en niet omdat ze een doelwit waren.

Hierin kwam verandering in Vietnam. En dat was deels de schuld van de correspondenten zelf. Sommigen begonnen wapens te dragen en deel te nemen aan militaire acties. Peter Arnett van Associated Press liep rond met een Mauser-machinegeweer. Charlie Black van de Columbus Inquirer verliet Vietnam met drie kerfjes in zijn riem, één voor iedere gedode Vietcong-strijder. Charlie Eggleston, fotograaf van United Press, wilde wraak nemen voor de moord door de Vietcong op vier journalisten. Hij werd gedood, maar pas nadat hij zelf drie Vietnamezen had doodgeschoten.

Andere correspondenten waren verontwaardigd over de vechtende collega's. Als er ook maar één journalist gewapend rondliep, vreesden zij, dan kon de Vietcong veronderstellen dat ze allemaal wapens droegen – en dienovereenkomstig handelen. Geen wonder dus, dat aan het einde van de oorlog 45 correspondenten waren gedood en achttien werden vermist.

Tegen de tijd dat we zijn aangeland bij de oorlogen in voormalig-Joegoslavië, waren de omstandigheden voor journalisten drastisch gewijzigd. Oorlogscorrespondent zijn, een jack dragen met daarop een badge met press, en rondrijden in een auto met een witte vlag, lokte veelal schoten uit. Veel correspondenten keerden terug met verhalen hoe ze van twee kanten door sluipschutters onder vuur werden genomen. Een van hen zei: ,,De lokale bevolking ziet onze aanwezigheid als slecht nieuws. Ze beschouwen ons als bloedzuigers die profiteren van hun misère.''

En waarom zouden individuele soldaten dat anders zien, als ze merken dat de NAVO het tv-station van Belgrado bombardeert, of als het Pentagon meldt dat het kantoor van het Arabische tv-station Al-Jazira in Kabul een doelwit is?

Al in 1983 hield het Rode Kruis een symposium over de manier waarop het aantal slachtoffers onder oorlogsjournalisten verminderd zou kunnen worden. De conclusie luidde dat er eigenlijk geen manier was om het risico volledig te elimineren en dat correspondenten zelf dat ook niet zouden willen als het zou leiden tot slappe berichtgeving. Vorig jaar adviseerden deskundigen media die journalisten naar vijandige gebieden sturen, om ze eerst een training te laten volgen over hoe te overleven bij verslaggeving van oorlog en revolutie. Uit een studie naar het posttraumatisch stresssyndroom blijkt dat dit meer voorkomt onder correspondenten dan onder politiemensen, en dat het op een vergelijkbaar niveau ligt met oorlogsveteranen.

Dat brengt ons op de cruciale vraag. Als het zo riskant is om oorlogscorrespondent te zijn, als één verkeerde inschatting je het leven kan kosten, en als je na het toch te hebben overleefd, terugkeert met een trauma dat om langdurige behandeling vraagt, waarom willen zoveel journalisten dan toch in hemelsnaam een oorlog verslaan?

Het kan een snelle weg naar roem zijn, die een journalist kan lanceren voor grotere dingen. In 1982 was Max Hastings een 38-jarige verslaggever van de London Evening Standard, die zich zorgen maakte over zijn carrière toen hij naar de Falklandoorlog ging. Hij liep langs de Britse linies op de laatste dag van de oorlog en was in zijn eentje verantwoordelijk voor de `inname' van de hoofdstad Port Stanley. Kort daarna werd hij hoofdredacteur van de Daily Telegraph en daarna van de London Evening Standard, een functie die hij nog steeds bekleedt.

In Afghanistan was het BBC-verslaggever John Simpson die nog voor de bevrijders Kabul binnenging en zijn deel van de roem vergaarde. Dit is niet meer dan de kroon op een uitzonderlijke carrière als oorlogscorrespondent – al 31 oorlogen lang. Een maatstaf voor de beroemdheid die de oorlogsverslaggeving Simpson heeft opgeleverd, gaf een collega van de World Service van de BBC toen ze vertelde soms moedeloos te worden van al die mensen die haar steeds weer vragen: ,,Ken je John Simpson?''

De Amerikaanse schrijfster Nora Ephron constateerde dat oorlogscorrespondent in tegenstelling tot het vechten zelf in een oorlog tegenwoordig nog het enige klassieke mannelijke beroep is dat fysiek gevaar en indivivueel risico met zich meebrengt zonder publieke afkeuring. ,,De pijnlijke conclusie is dat een oorlog voor journalisten geen hel is. It is fun.''

Ondanks een toenemend aantal slachtoffers zullen er daarom altijd wel oorlogscorrespondenten blijven. En wie beweert dat hen beschermen een goed idee is? Nooit werden journalisten beter beschermd dan de zes Britten die verslag deden van de Eerste Wereldoorlog – ze hadden de rang van officier, keurige uniformen, een auto met chauffeur, een gewapende escorte, eigen oppassers, persoonlijke censors en onderdak in Franse chalets. Ze overleefden alle zes, maar waren verantwoordelijk voor de slechtste oorlogsverslaggeving in de geschiedenis.

Phillip Knightley is een Australische spionageschrijver en auteur van onder andere The First Casualty of War, over oorlogsjournalistiek.

    • Phillip Knightley