Sport en muze

Ik kuste Juanita Stachowitz op beide wangen. Het was mijn taak, ik was er voor ingehuurd. Juanita had de schrijfwedstrijd gewonnen die was georganiseerd door het Gelderse Schrijverskollektief in samenwerking met de bibliotheek van Velp. Het thema van de wedstrijd luidde: `Een mens maakt wat mee op de fiets'. De oogst bedroeg ruim honderd inzendingen, waaronder zeer sportieve. Kennelijk wekt sport de muze. In `Hi-Ha-Hondelul en andere sportpoëzie' (1996) bundelde Ko van Geemert een groot aantal sportgedichten. Blijkt: sport inspireerde niet de minste namen. Ik doe een greep. Paul van Ostaijen, Johnny van Doorn, Hans Warren, Kees van Kooten, Remco Campert, Lévi Weemoedt. Blijkt ook: topsporters dichten niet, tenzij op uitdrukkelijk verzoek. (Niet gek natuurlijk, sport is al poëzie, van een vleselijke soort) Namen? Ik noem er één. Cruijff.

Sporters moeten ook niet schrijven – topsport beent vanzelf al uit – ze moeten af en toe iets door een microfoon gorgelen. En met een beetje geluk is het daar opeens: poëzie.

,,Ik kan redelijk keepen, nou, dat is het dan.''

Dit was nog maar de kop die de Volkskrant afgelopen donderdag plaatste boven een interview met Feyenoord-doelman Edwin Zoetebier.

,,Dat beviel me ook heel goed'', zegt Zoetebier over zijn oude vak van elektricien. ,,Ik ben voetballer, maar dat is één van de onbelangrijkste banen van de maatschappij. Voetbal is een hobby, meer niet.'' ,,Maar als er geen loodgieters of elektriciens meer zijn, wordt het verdomde moeilijk.''

Een relativering? Bescheidenheid? Ik dacht het niet. Eindelijk, eindelijk verwoordt hier iemand het picareske nihilisme dat woont in een eenzaam sporthart.

Een jonge Zoetebier zit in een schoolbus. De reis voert van Volendam naar Purmerend. Elke ochtend ziet hij de lichtmasten rond het Volendamse stadion kleiner worden. En elke ochtend denkt hij: `als ik daar toch eens keeper zou kunnen zijn en zou mogen spelen'.

Daar begon het inderdaad, in Volendam. Zoetebier: ,,Het was geweldig, ik had de lichtmasten bereikt''. Poëzie.

Opeens zag ik het helder voor me. Als in een visioen. Zoetebier verschijnt uit de coulissen en neemt plaats achter de katheder. Hij tikt voor de zekerheid nog even op de microfoon die doet het en kijkt de zaal in. Daar zit het nooddruftige KPN-management, inclusief de nieuwe topman Scheepbouwer, in blijde afwachting van de verfrissende peptalk die de hiervoor ingehuurde Zoetebier ongetwijfeld over hen heen zal storten.

Met een verrassend kwiek gebaar goochelt hij zijn tekst uit de binnenzak. Hij schraapt zijn keel en begint te spreken. Plechtig, nee parlando. Eén zin heeft hij uitgeprint: `Het regent optieregelementenregenten'. Aarzelend komt een applaus op gang.

Poëzie mag vertroosten, maar Lucebert heeft aangetoond dat een pak slaag op zijn tijd ook geen kwaad kan.