`Schikking praktisch en principieel het beste'

Minister Korthals gaat de bouwbedrijven die bij de Schipholtunnel fraudeerden, nu niet alsnog vervolgen. Ook voor de toekomst sluit hij schikkingen niet uit.

Het staat vast dat KSS, HBW en Structon, de drie bouwbedrijven die betrokken waren bij de bouw van de Schipholtunnel strafbare feiten hebben begaan. Dáár laat minister Korthals van Justitie in zijn brief aan de Tweede Kamer ook geen misverstand over bestaan. De drie bedrijven hielden er een gefingeerde boekhouding op na waardoor over en weer facturen de deur uitgingen zonder dat daar enige tegenprestatie tegenover stond.

Toch billijkt de minister de schikking die het openbaar ministerie met de bedrijven heeft getroffen: een boete van elk een miljoen gulden en een terugbetalingsregeling van twintig miljoen gulden aan de NS, die op haar beurt weer vijftig miljoen terugstort op rekening van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De staat krijgt daarmee in financieel opzicht maximale genoegdoening, vindt de minister. Want na veroordeling door de rechter zou de fraudeurs hooguit een maximale geldboete van één miljoen gulden kunnen worden opgelegd. Strafrechtelijke vervolging tegen individuele leidinggevenden was volgens de minister niet mogelijk doordat daarvoor onvoldoende schriftelijk bewijsmateriaal, ,,zoals notulen van vergaderingen'', voorhanden was.

De hoofdrolspelers zijn weliswaar door de recherche verhoord, maar dat leverde weinig op, al was het maar doordat ,,niet uit het oog mocht worden verloren dat betrokkenen als verdachte zich op een zwijgrecht konden beroepen.

Een artikel-12-procedure bij het gerechtshof, de enige om die schikking alsnog te toetsen, wijst Korthals niet alleen om financieel-pragmatische redenen van de hand. Het OM valt onder de politieke verantwoordelijkheid van Justitie en die procedure is niet bedoeld om ,,de regering in staat te stellen op de onder verantwoordelijkheid van de minister genomen afdoeningsbeslissing terug te komen''.

Ook het argument van de Kamer dat na een veroordeling betrokken bedrijven kunnen worden uitgesloten van aanbestedingsprocedures, wat bij een schikking niet kan, wijst de minister met pragmatische en principiële argumenten van de hand. EG-richtlijnen maken dergelijke uitsluiting mogelijk, schrijft Korthals, maar het zou, door beroepsprocedures, jaren duren voor die bedrijven feitelijk met dergelijke sancties te maken zouden krijgen.

Voor Korthals weegt zwaarder dat een strafrechtelijke procedure niet gevoerd mag worden met het oogmerk dat bedrijven daarna van deelname aan aanbestedingsprocedures kunnen worden uitgesloten. Het openbaar ministerie vervolgt op basis van de regels van het strafrechtproces en maakt daarbij een autonome afweging. ,,Het zou onjuist zijn daar de buiten het strafrecht gelegen belangen van derden onderdeel van te laten uitmaken.'' Vervolging zou dan tot doel dienen om een ,,niet-strafrechtelijke maatregel zijn beslag te laten krijgen. Dat acht ik principieel onjuist.'' Ook een motie waarin Korthals wordt opgeroepen om in de toekomst bij soortgelijke affaires geen schikking meer te treffen, maar te vervolgen, acht hij onuitvoerbaar. Het wetboek geeft verdachten het recht om een transactie aan te gaan. Het OM moet in iedere individuele strafzaak bepalen of al dan niet een schikking wordt getroffen.

Wel toont Korthals zich bereid om de bepalingen aan te scherpen in de `aanwijzing hoge transacties in misdrijfzaken', die omschrijft hoe het OM in dit soort zaken moet handelen. Dat geldt met name voor de criteria om een zaak al dan niet voor de rechter te brengen. Verder wordt onderzocht of de maximale boetes bij dergelijke transacties moeten worden verhoogd, met name wanneer het om rechtspersonen gaat.

De motie waarin justitie wordt opgeroepen om diepgaand onderzoek in te stellen naar malversaties bij aanbestedingsprocedures en mogelijke betrokkenheid daarbij door ambtenaren, zal Korthals wel uitvoeren, hoewel hij er in zijn brief voor waarschuwt dat dergelijk onderzoek de nodige tijd zal vergen. Het Landelijk Parket heeft inmiddels onder leiding van twee officieren van justitie een onderzoeksteam samengesteld met specialisten van de recherche, de fiscale opsporingsdienst FIOD, de Economische Controledienst, interregionale fraudeteams, de opsporingsdienst van het ministerie van VROM en rechercheurs van de Rijksrecherche.