Kwaliteitsmens

We hoorden muziek op straat en ik vroeg me af of het uit een van de auto's kwam die in het smalle straatje in wandeltempo rijden. Typisch een gedachte die ik uit Nederland had meegenomen. Het kon ook niet kloppen, want het was een vriendelijk jazzliedje zoals nooit door een geluidsterrorist uit een auto naar buiten wordt geblazen.

Het was een orkestje van vier mannen en een vrouw die flink hadden uitgepakt, niet alleen met straatinstrumenten als een trompet en een mondharmonica, maar ook met een bas, een elektronische piano en een omgekeerde wastobbe met een als snaar gespannen touw er op.

Ze waren erg goed, de meesten konden op verschillende instrumenten spelen en er waren er drie die aanstekelijk zongen. De hoofdzanger, die een beetje op Sammy Davis jr. leek, zei dat ze nog een paar liedjes zouden zingen en dan moesten ze naar een hotel om daar hopelijk echt geld te verdienen.

,,Gaan ze met een geldbakje rond?'', vroeg ik. ,,Nee, dat staat daar op de grond, voor de piano.''

Toen ging er in de rij voor me een bulderend gelach op en een grote man van een jaar of zestig keerde zich om, trok zijn vrouw mee en wees op ons: ,,Ha, ha, het zijn Hollanders in Parijs!''

O, nee! Het was duidelijk wat deze Belgen dachten. Hollanders in Parijs, waar alles niet alleen mooier is dan thuis, maar ook veel duurder. De Hollander telt zijn geld, vastbesloten om zich snel uit de voeten te maken als de muzikanten met het geldbakje rondgaan. Hij wordt gerustgesteld door zijn vrouw, ze gaan niet rond met hun bakje, dat staat op de grond.

Maar dat was helemaal de bedoeling niet! Ik wilde juist graag geld geven aan deze sympathieke muzikanten. Ik doe het ook, maar nu is de lol er af, want het lijkt net alsof ik me er toe gedwongen voel. Een van de muzikanten is een Nederlander, dat heeft Sammy Davis net verteld, en ik hoop maar dat hij het vernederende incident niet heeft opgemerkt.

Echt gerehabiliteerd zal ik me in de ogen van de Belgen toch niet hebben. Ik gooi wat munten in de doos, daar heb je straks met de euro toch niets meer aan. De meeste Fransen gooien papiergeld.

Moet je je in Parijs nu ook al voor de Belgen schamen? Ik voel me er toch altijd al een Nederlandse barbaar. Een tijdje geleden schreef de Parijse correspondent van de Volkskrant over een week vakantie die hij in het vaderland had doorgebracht. Overal zag hij slonzigheid, smerigheid en agressiviteit. Op de terugtocht naar Parijs voelde hij zich alsof hij ontsnapte uit de hel.

Ja, het is waar, het is klein provinciaal om in het buitenland meteen om te vallen van bewondering en af te geven op thuis. Dat weet ik, maar het neemt niet weg dat ik er precies zo over denk als die Parijse correspondent.

Het perk voor de deur van het huis waarin ik een paar dagen woon wordt dagelijks bijgehouden. De post komt twee keer per dag, de straten zijn schoon en de bloemen in het Luxembourg zouden bij ons al lang geroofd zijn. Uit de klerenwinkels klinkt geen stampmuziek, evenmin als uit de auto's.

Net als ik ergerde die correspondent zich aan onze minister Jorritsma, die de Fransen uit kwam leggen dat ze hun openbare voorzieningen net zo moeten laten verloederen als wij. Geluksvogel, die correspondent, dat hij de hel weer kon ontvluchten.

Nou ja, als je hier echt zou wonen, zou je natuurlijk allerlei moeilijkheden ondervinden die de toerist niet meteen opvallen. Op het gevaar af dat de Belgen me uitlachen kan ik een van die moeilijkheden wel noemen. De huur van het appartement waarin ik logeer is aanzienlijker hoger dan mijn inkomen. Je moet er wat voor over hebben om in de beschaving te verkeren.

We lopen verder, steken de boulevard over, draaien ons nog eens om en zien zwarte rook boven de huizen uitkomen. Brand. Even later komen al de brandweerauto's. Het café Relais de l'Odéon wordt ontruimd. Er zijn altijd veel Hollanders in deze buurt en die treffen het vandaag, want tijd voor afrekenen zal er niet zijn geweest.

Eerlijk is eerlijk, branden blussen doen ze in Amsterdam sneller. Het duurt eindeloos voor ze de brandslang op een waterput hebben aangesloten en van zijn wiel afgerold, de ladder wordt traag omhoog gestoken en de brandweerlieden lijken nog geruime tijd te overleggen wie er de moed zal hebben om naar boven te klimmen. De comfortabele liftjes die bij ons de brandweer binnen een paar seconden omhoog brengen en de gewonden omlaag kennen ze blijkbaar niet. Wie hier op de brandweer wacht, wacht te lang.

De brand wordt toch geblust en we lopen nog even naar de schaakboekhandel. Ik heb er een vaste routine. Eerst even kijken op de tafel waar de nieuwe boeken liggen. Die zijn meestal in het Engels en worden overal in alle schaakboekwinkels verkocht, dus daar vind ik zelden iets.

Dan naar de kast met Engelstalige boeken die er al langer zijn, afdeling varia en curiosa. Ik doe net alsof ik alles goed bestudeer om de eigenaar, die mij kent, niet te laten merken dat het me er alleen om gaat om te zien of mijn eigen Amerikaanse boek er nog wel te koop staat.

,,Het staat er'', zegt de eigenaar glimlachend vanachter zijn tafel. Goed zo. Het staat er en het staat waar het hoort. Dat kunnen Harry Mulisch en Anna Enquist, van wie ik boeken zag liggen in een Scandinavische boekhandel, me niet nazeggen.

Ik wil ook iets kopen. De boeken waar ik belangstelling voor heb staan op de bovenste plank, ver uit het zicht. Het is geen schaakpornografie die verborgen moet blijven, maar het zijn boeken die slechts zijdelings met schaken te maken hebben.

Je moet er voor op een kruk klimmen om de titels te zien. Thrillers waarin een schakend meesterbrein gesnapt wordt. Een beschouwing van een oude Chinees over de krijgskunst. Een boek over de gokwereld in het Parijs van de achttiende eeuw, dat een waar Las Vegas schijnt te zijn geweest. Dat lijkt me wel wat.

Zolang de winkel bestaat, kom ik er al zo'n twee keer per jaar en nog nooit heb ik iemand anders op die kruk zien staan. Ze blijven op de grond en kopen banale nuttige boeken om beter te leren schaken. Op de kruk in de schaakboekhandel, drie kwart meter boven de Parijzenaars verheven, kan ik me weer een kwaliteitsmens voelen.

    • Hans Ree