Een nacht met dubbele bodems

Heden verschijnt de aan oud-premier Piet de Jong (1967-'71) gewijde biografie Van Buitengaats naar Binnenhof, een werkstuk van de parlementaire historici Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer. Hun hoofdpersoon was gisteren al zo goed om in het tv-programma 2 Vandaag enkele anekdotes uit zijn politieke leven te vertellen. Een daarvan ging over de zogenoemde Nacht van Schmelzer, de nacht waarin het centrum-linkse kabinet-Cals/Vondeling (KVP/PvdA/ARP) in oktober 1966 in de Tweede Kamer ten val kwam over een motie waarin KVP-fractieleider Schmelzer zijn ontevredenheid over het financiële beleid had vastgelegd. Ze was vooral gericht tot de minister van Financiën, de PvdA'er Vondeling, maar ze was natuurlijk zeker zo bitter voor Schmelzers partijgenoot premier Cals.

Die motie werd aangenomen met steun van onder meer de oppositiefracties van de VVD en de CHU. Die nacht kreeg dramatische betekenis en ging zelfs een cesuur markeren in de naoorlogse politieke geschiedenis. De een sprak van verraad, de ander zag er de onbetrouwbaarheid van de KVP, of van confessionele politiek in het algemeen, in bevestigd. Het succes van de nieuwe partij D'66 in 1967, de vorming van de PPR (in GroenLinks opgegaan), de machtsvorming van Nieuw Links in de PvdA, alsook de oprichting van DS'70 als reactie daarop, hebben op de een of andere manier allemaal wat met Schmelzers nacht te maken gehad. Er werd ook wel gemompeld dat de PvdA, die er beroerd voorstond in de opiniepeilingen, het eigenlijk niet zó erg had gevonden dat het kabinet-Cals/Vondeling was verdwenen, maar dat werd destijds door de roerige spraakmakende gemeente als een gemene conservatieve roddel afgedaan (al was er ook in de PvdA scherpe kritiek op dat kabinet geweest en al werd partijleider Vondeling wel heel kort daarna, voorjaar '67, vervangen door Den Uyl).

In zijn anekdote vertelde De Jong gisteren dat hij destijds, toen Schmelzer zijn motie indiende, dichtbij de PvdA-Kamerleden Nederhorst, fractieleider, en Roemers (ook voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, NVV) zat. En kon horen dat Roemers tegen Nederhorst zei: ,,Nu moet je de zaak vastzetten.'' Waarop Nederhorst even later van het spreekgestoelte riep dat het kabinet ,,geen knip voor zijn neus waard'' zou zijn als het zo'n motie over zijn kant zou laten gaan. Nederhorst en Roemers kunnen er niets meer over zeggen, zij leven niet meer, maar volgens De Jong was het wel duidelijk dat zij de motie van Schmelzer als ,,een geschenk uit de hemel'' zagen. Mocht zijn indruk juist zijn (geweest), dan heeft die nacht toentertijd dus niet alleen een nationaal besproken dramatische waarde gehad maar ook een vrijwel onbesproken cynische dubbele bodem.

Eén dubbele bodem? Wat heet. Er zijn nog wel andere anekdotes over de Nacht van Schmelzer. Hun betekenis kan zelfs tot vandaag reiken. Bijvoorbeeld die over de toenmalige fractieleider Roolvink van de ARP, de partij die zichzelf graag als evangelische Gideonsbende zag en voor wie de soevereiniteit in eigen kring een groot goed was. Een partij die, anders dan de grotere KVP, door haar beperkte omvang en de geringe macht van haar getal zelden of nooit beslissend was voor de afloop van zware politieke kwesties. En die daardoor ook vaak het beeld van een zekere politieke en morele ongereptheid (klein maar fijn) kon vertonen en daarop prat ging. Het was namens die ARP dat Roolvink in die nacht aan Schmelzer kwam vertellen dat hij het met de inhoud van diens motie geheel eens was maar er toch geen steun aan zou geven. Want wij van de ARP zijn geen kabinettenbrekers en bovendien heb je er dankzij de steun van VVD en CHU toch al een meerderheid voor, moet Roolvink toelichtend hebben gezegd. Hij was na de stemming een van de eersten die Schmelzer kwam feliciteren. Als we De Jong mogen geloven deden Nederhorst en Roemers dat namens de PvdA ook stilletjes, al schreeuwden zij hardop uiteraard moord en brand.

In de jaren zeventig, op weg naar het CDA, waarin KVP, ARP en CHU hun door de ontzuiling en deconfessionalisering geslonken divisies onderbrachten, werd het leven voor de vroegere anti's moeilijker. Voortaan waren zij immers, als deel van het grotere CDA-geheel, medebeslissend voor de afloop der dingen. Zeg voor het voortbestaan van het eerste kabinet-Van Agt (1977-'81), dat voor zijn heel kleine meerderheid (77 zetels) voortdurend de steun nodig had van twee handen vol `dissidente' ARP'ers. Die plachten soms, als het spannend werd, zoals in het kruisrakettendebat van december 1979, vóór het gordijn in de Kamer met een klein stemmetje `ja' te zeggen om vervolgens achter dat gordijn hun eigenlijke `nee' te verbeelden door zich de borst open te rukken en hun geprangde, naar het progressieve neigende geweten te tonen aan, zeg, de dankbare verslaggevers van hun lijfblad Trouw.

Van Agt heeft destijds in besloten kring nota bene nog eens mogen meewerken, in een triestig vertegenwoordigersrestaurant halverwege Den Haag en Nijmegen, aan een kritische openbare verklaring aan zijn adres van de voorzitters van KVP, ARP en CHU, om langs die ongewone weg de pijn van die dissidente anti's te helpen verlichten. Daarom ook was zelfs de afspraak gemaakt dat hij ten gerieve van de gewezen Gideonsbende met enige verbazing en verdriet op die verklaring zou reageren.

Waarom dit alles opgehaald, waarom hier nu van Piet de Jong en de Nacht van Schmelzer via de ARP naar het CDA gegaan? Dat kan zijn nut hebben nu het CDA sinds een paar weken in de persoon van J.P. Balkenende weer een lijsttrekker en fractieleider heeft die afkomstig is uit de reformatorische wereld van de ARP en de Vrije Universiteit. Over deze Balkenende hoor en lees je immers af en toe dat de oude ARP met hem iets van haar vroegere linksige armslag in het CDA heeft hersteld. Ja, dat hij in persoon zelfs de wraak van de vroegere ARP-fractieleider W. Aantjes zou kunnen zijn. Ik geloof er niets van. Wat was een van de eerste dingen die Balkenende als CDA-leider deed? Dat was het programma van GroenLinks vierkant als financiële luchtfietserij afwijzen.

    • J.M. Bik