De Schepper slaapt

Het Amerikaanse bedrijf Advanced Cell Technology (ACT) beroemt zich erop dat het een menselijk embryo heeft gekloond. Wat ironisch dat het nieuws zich op de dag des Heren verspreidde. Zondag, de dag waarop God uitrust van zijn vermoeiende scheppingswerk. Terwijl Hij achterover leunt en mogelijk even wegdoezelt, gaan zijn eigengereide zonen en dochters enthousiast met zijn werk aan de haal. Trots maken zij de wereld deelgenoot van hun vorderingen. Maar hun zusters en broeders zijn er niet zeker van of wat zij tonen goed is, zoals God eens zag dat zijn werk goed was. En daar niemand in staat is of de moed heeft God uit zijn sluimer wakker te maken en hem uitsluitsel te laten geven, spreken zij voor hem.

Dit alles geldt niet alleen voor fanatieke gelovigen maar, zo lijkt het, voor bijna alle deelnemers aan de discussie. In het debat over klonen wordt het bestaan van God als het ware verondersteld. De Schepper wordt door voor- en tegenstanders als moreel ijkpunt ingezet. Waar het gaat over klonen en genetische manipulatie is de retoriek ervan doorspekt. Kloneren en genetica gaan namelijk over het leven en waar het leven is, is God in het spel. Waar God in het spel is, worden ook duivelse en kwade machten verondersteld. Deze liggen op de loer om zich de verboden en geheime kennis over het leven toe te eigenen en er kwaad mee te doen.

Dat wordt al heel lang zo gezien. Toen van klonen nog geen sprake was en nog geen genetische manipulatie werd bedreven, waren er ook mensen gefascineerd door de kern van het leven. Een aantal van hen ging daarnaar op zoek door vivisectie, door te snijden in het levende zoals de letterlijke vertaling van dit woord luidt. Hij die in het leven snijdt, de vivisector (iemand die medische experimenten op levende dieren uitvoert), wordt sinds de Oudheid als een verdacht figuur gezien. Het zou gaan om een huiveringwekkende, barbaarse en in latere eeuwen heidense figuur en afgodenpriester, aan wiens morele kwaliteiten openlijk getwijfeld mocht worden. Daarbij speelde niet alleen het argument dat hij dieren leed aandeed een rol. Die geluiden begonnen pas mondjesmaat te klinken vanaf de achttiende eeuw.

Nee, het ging erom dat iemand de hoogmoed, of misschien alleen de dwaze gevoelloze moed, had om werkelijk in levende materie te roeren en het leven aan te raken. Vanaf de negentiende eeuw kwam daar de associatie bij dat wie het leven aanraakt, God aanraakt en schendt. Uit een dergelijk streven kon nooit iets goeds komen. Alleen moreel verval en verleidingen van de mammon, omdat de kwade krachten graag met klinkende munt voor die verboden kennis zouden willen betalen om de plaats van God in te nemen. Niemand zou sterk genoeg zijn om aan die verleiding het hoofd te bieden. De vivisectoren, in de negentiende eeuw voornamelijk medici, reageerden op deze aantijgingen door te wijzen op het heil dat hun werk de mensheid zou brengen. Het leed van ziektes zou aanzienlijk verminderen en uiteindelijk verdwijnen. Daar offerden zij als wetenschappers zelfs hun leven voor op door het volledig in te zetten. Zij deden dit niet om geld te verdienen maar uit gevoeligheid voor de lijdende schepping.

Deze discussie wordt nu herhaald in verband met klonen en genetica. Dat begreep ook Wim Kayzer al in 1987, toen hij zijn beroemde documentaire over genetische manipulatie Beter dan God noemde. In deze krant las ik gisteren in het artikel van Roel Janssen dat op het bericht van ACT over het klonen van een menselijk embryo in de Verenigde Staten zowel door religieuze bewegingen als door Democratische en Republikeinse politici met afschuw is gereageerd. Gesproken werd over een moral breakdown en een verwerpelijke poging om de plaats in te nemen van God. Door zich op een dergelijke wijze uit te laten wordt de discussie over het onderwerp naar mijn mening wel erg vertroebeld. Het lijkt namelijk net alsof er helemaal niets tegen dit soort experimenten in te brengen zou zijn als men niet uitgaat van het bestaan van God. Daarmee is de stap dat mensen die niet in God geloven bij voorbaat al verwerpelijke ideeën hebben, of in ieder geval over het aanraken van wat als de schepping wordt omschreven niet hoeven mee te praten naar mijn smaak iets te snel en te gemakkelijk gezet.

De mensen die de gewraakte experimenten uitvoeren doen van hun kant weinig om die discussie van dit soort ruis vrij te maken. Janssen beschrijft hoe celbioloog en pikant detail voormalig creationist Michael West, de onderzoeksleider van ACT, op de aantijgingen reageert met het verweer dat hij de plaats van God niet wil innemen omdat hij geen voodoopriester is. Daarbij geeft hij aan emotioneel te zijn over het onderwerp klonen en stelt hij dat hij zich vierentwintig uur per dag met het onderwerp bezighoudt. De man is uitgeput als hij een journalist te woord staat. Door dit soort dingen te zeggen en zichzelf zo te presenteren speelt West precies de retorische rol die van hem verwacht wordt. Hij wil naar de bron van alle kennis, naar het leven en God en is naar eigen zeggen sterk genoeg om dat te doen.

Zo komt de discussie over klonen geen stap verder. Zij is een kloon van de discussie die al eeuwen gevoerd werd over experimenten op dieren en de morele toelaatbaarheid daarvan. Woord en weerwoord staan op een voorspelbare en weinig creatieve wijze vast. Daarom moeten gelovigen en niet-gelovigen in de klonen-discussie van de retoriek met die eeuwige Schepper af. Misschien komen we in het denken en spreken over klonen en genetische manipulatie zonder een beroep op de Allerhoogste of verwijzingen naar het duivelse, wel iets belangrijks over het leven te weten. Edoch, niet te hard schreeuwen. Laat de Schepper maar lekker slapen.

    • Amanda Kluveld