De laatste centen

Met het verdwijnen van de gulden verschijnt in het boekenfonds van NRC Handelsblad Voor een dubbeltje op de eerste rang. 1001 spreekwoorden en zegswijzen over Nederlands geld van de hand van Ewoud Sanders. Dit boek geeft een thematisch overzicht van ruim 1300 spreekwoorden en zegswijzen – bekende en minder bekende – over Nederlands geld uit de afgelopen zes eeuwen. Een kleine voorpublicatie.

daar zit muziek in

Wordt wel gezegd van transacties die moeilijk te controleren vallen, en waarin dus gemakkelijk wat aan de strijkstok kan blijven hangen. ,,Muziek'', aldus een woordenboek in 1908, ,,is soms een term voor geld; bij aannemers wordt wel gesproken van een werk `waar veel muziek in zit': waaraan veel kan verdiend worden, doordat niet gemakkelijk is na te gaan of juist wordt opgeleverd wat in het bestek staat.''

geld speelt geen rol

Vertaling van het Duitse Geld spielt keine Rolle, een uitdrukking die in 1902 voor het eerst is opgetekend. De Nederlandse vertaling was al omstreeks 1930 in gebruik, maar de uitdrukking werd algemeen bekend als stoplap van Olivier B. Bommel.

zo plat als een dubbeltje

Heel erg plat. Gezegd van vrouwen die geen boezem hebben. In plaats van dubbeltje zegt men ook pannenkoek, slijpplank of scholletje. De Fransen zeggen plate comme une punaise of sole `zo plat als een wandluis, zeetong'.

geld (alleen) maakt niet gelukkig

Voor het eerst aangetroffen in de tweede helft van de 19de eeuw, in het werk van Jacob van Lennep. Soms met de toevoeging: maar het is gemakkelijk als je het hebt. Een andere variant is: geld maakt niet gelukkig, maar met een beetje geld ben je wel een beetje minder ongelukkig.

geen geld, geen Zwitsers

Zonder geld wordt niets afgeleverd, wordt er niet gewerkt. Volgens de overlevering is deze uitdrukking ontstaan in 1521. Frans I van Frankrijk verdedigde Milaan tegen koning Karel V. Toen de Franse koning de Zwitserse huurtroepen niet langer kon betalen, antwoordde hun leider: ,,Point d'argent, point de Suisses'', waarna hij en zijn mannen vertrokken.

hij zou een cent in tweeën bijten

De uitdrukking geeft aan dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven. Dat beeld komt ook terug in diverse synoniemen voor `vrek'. Te denken valt aan woorden als centenbijter, duitenkliever, kluitenkliever, oordjesbijter, oordjessplijter, oordjespletter en splijtmijte.

knaken poetsen

Gierig zijn. Een knaak is tegenwoordig een rijksdaalder. De oudste tekst waarin deze muntnaam tot dusverre is aangetroffen, dateert van 1689. Vermoedelijk is er verband met Rotwelsch (Duits Bargoens) Knök, Kneks (daalder), maar verder is de etymologie onbekend.

het kan me geen hol schelen

Het kan me niets schelen. Een hol was oorspronkelijk een zilveren florijn van 28 stuiver (ƒ1,40), waarop het stempel HOL (= Holland) aangaf dat het een geldige munt was. De munt werd voor het eerst geslagen in 1693; in 1846 werd hij afgeschaft. De uitdrukking het kan me geen hol schelen bevat een woordspeling met hol, `aars'.

de pieken laten springen

Grof geld verteren. Het woord piek, een Bargoense term voor `gulden', is voor het eerst gedocumenteerd in 1906. Men veronderstelt dat de naam teruggaat op een serie munten van eind 17de eeuw waarop de Nederlandse Maagd (of de godin Pallas Athena) leunend op een speer was afgebeeld.

het is een aardige grijpstuiver

Een grijpstuiver was oorspronkelijk een muntje met een vogel Grijp (griffioen) erop. Hieruit ontstond de Bargoense betekenis `bijverdienste, (gering) bedrag', wat hier als understatement wordt gebruikt voor `groot bedrag'. De muntnaam is ten onrechte in verband gebracht met `grijpen'.

ping-ping hebben

Ping-ping is in verband gebracht met het Latijnse pecunia, `geld', maar het kan ook goed gevormd zijn door klanknabootsing (naar het gerinkel van geld, dat de mens `als muziek in de oren klinkt').

een heitje voor een karweitje

Traditioneel motto van de padvinders. De naam heitje, van oorsprong een Bargoens woord voor `kwartje', is pas eind 19de eeuw voor het eerst opgetekend. Hij is afkomstig uit het Jiddisch en gaat terug op de hê, de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet, die de getalswaarde vijf had. Een heitje is dus vijf stuivers. Een `vijfguldenstuk' werd in de dieventaal wel een gouden heit genoemd; een celstraf van vijf jaar heit jantjes, een `goedkope' souteneur een heitjes-pooier.

Meer uitdrukkingen op www.nrc.nl en

www.meertens.nl/dubbeltje