Artisjok 1

Al voor je de ogen opent, weet je: dit wordt een dag waarop het voor iedereen beter is dat je in bed blijft. Dus trek je de telefoonstekker uit de muur, zet thee, roostert boterhammen en staart naar de stapels als-ik-tijd-heb-boeken. Ik heb er drie, eentje met Duitse, eentje met Britse en een kleintje met Nederlandse boeken. Uit de tweede stapel koos ik The Pursuit of Love van Nancy Mitford, voor het eerst gepubliceerd in december 1945 en nadien vaak en veel herdrukt.

Miss Mitford (1904-1973), oftewel Mrs. Peter Rodd, kende de vandaag de dag nog altijd op de lachspieren werkende mores van de Britse upper-class uit eigen ervaring. Faam verwierf zij met de door haar geëntameerde essaybundel Noblesse Oblige, waarin `de etiquette', momenteel weer in zwang bij managers die de hoed noch de rand kennen, op de korrel werd genomen. Kenners verstijven bij haar selecties uit Victoriaanse brieven en haar, inderdaad idiote, biografische studie Voltaire in Love. Maar ach, conventie, goede smaak, politiek correct? Mij een biet, toch bleef ik uit veiligheidsoverwegingen in de bedstee en las. En stuitte, op pagina 37 van de Penguineditie van The Pursuit of Love, op een dialoog tussen twee bakvissen, de tienervertelster en het hoofdpersonage Linda.

,,Husbands, we knew, were not always faithful, this we must be prepared for, we must understand and forgive. `I have been faithful to thee, Cynara, in my fashion' seemed to explain it beautifully. But women – that was different; only the lowest of the sex could give themselves more than once.''

Een vergelijkbare dialoog, met dezelfde hypocriete portee, komt vroeg of laat in al haar romans voor. In The Blessing (1951) bijvoorbeeld pas op pagina 208.

Miss Mitford, zoals zij zich altijd is blijven noemen, citeert in het midden van de geciteerde dialoog tussen neus en lippen door een dichtregel die ik onmiddellijk kon thuisbrengen. Op een jaar na twintig jaar geleden heb ik die met de hand gezet uit de Hollandsche Mediaeval. Plots dwaalde ik weer met een vriendin door Londen, snuffelend aan elkaar en in antiquariaten. Zij was op zoek naar poëzie van Ernest Dowson (1867-1900).

Tot alles en nog wat bereid sjokte ik als een loopse hond achter haar aan. Alles vergeefs. Terug in Amsterdam belde ik Gerrit Komrij en jawel: hij bezat het complete oeuvre van Dowson. Ik stelde voor dat hij een bloemlezing zou maken en dat ik die zou zetten, drukken, uitgeven. Hij vond het een goed idee, `maar ik heb geen tijd om een en ander te vertalen'.

Een dag later haalde ik zestien gedichten af en schoof rond middernacht proefdrukken van twee versjes door zijn brievenbus. Dat ging een week zo door. Rond tien uur 's ochtends haalde ik de gecorrigeerde proeven op, fietste naar mijn atelier in de Jordaan, verwijderde de zetfouten, drukte de oplage, distribueerde het zetsel, zette twee versjes, trok proefdrukken en fietste opnieuw naar de Jacob van Lennepkade. Toen alle gedichten waren gedrukt, knapte ik af, bakte nog een portret-etsje en bleef twee dagen in bed. Op de derde dag was alles droog en naaide ik de vellen aan elkaar, bedacht de titelpagina, drukte die in rood en blauw en bond het zwikje in bloedrood linnen. Stofomslag eromheen en hopla... weer een boek. De bloemlezer/corrector kreeg bij wijze van honorarium vijf van de vijftien exemplaren. Mijn vriendin kreeg er discreet, per slot van rekening was zij getrouwd, eentje per post. Het boek arriveerde op de dag dat zij jarig was.

De titel van het gedicht met de door Mitford geciteerde regel luidt: non sum qualis eram bonae sub regno cynarae (ik ben niet meer dezelfde die ik was tijdens Cynara's heerschappij). Toentertijd meende ik dat Cynara een artisjok was en had daar, gezien de vele rokken en het verborgen hart van de lekkernij, vrede mee. Cynara leek mij daarom een geschikte, want de inhoud dekkende titel (art, jokken, sjokken); Gerrit Komrij stond echter op Love's Aftermath. Hij had gelijk, besef ik twintig jaar later.

Inmiddels weet ik dat Ernest Dowson in de titel Horatius citeert. En begrijp waarom de laatste van Dowsons vier strofen tellende versje mij na al die tijd ontroert:

I cried for madder music and for

stronger wine,

But when the feast is finished

and the lamps expire,

Then falls thy shadow, Cynara!

the night is thine;

And I am desolate and sick

of an old passion,

Yea hungry for the lips of my desire:

I have been faithful to thee, Cynara!

in my fashion.

    • Peter Yvon de Vries