Afghanen willen geen inmenging, zeggen ze in Iran

Geïnteresseerde landen hebben de strijd geopend om invloed in post-Talibaan Afghanistan. De Islamitische Republiek Iran wil daar graag een hoofdrol – en anderen hebben er niets te maken.

Binnen Afghanistan leveren krijgsheren gewapenderhand slag om de macht, daarbuiten vechten buur- en andere geïnteresseerde landen met diplomatieke wapens bijna even hard om Afghanistan binnen hun invloedssfeer te trekken of ten minste uit die van de ander te houden. Niet voor niets haasten buitenlandse regeringen zich dezer dagen om ambassades en consulaten in Afghanistan te heropenen die na de machtsovername door de streng-fundamentalistische Talibaan waren gesloten.

De Turkse ambassade in Kabul is alweer open, en het Turkse consulaat in Mazar-i-Sharif, en ook Iran heeft zijn vertegenwoordiging in de Afghaanse hoofdstad geopend. Groot-Brittannië, van oudsher zeer betrokken in de regio, heeft als eerste westerse land weer een diplomatieke missie in Afghanistan. Rusland, Brits tegenstander in het Great Game, de 19de eeuwse strijd om handelsroutes, treft eveneens voorbereidingen om zijn ambassade te heropenen. Al deze landen hebben goede betrekkingen met (delen van) de winnende oppositie. Pakistan, dat zwaar medeplichtig was aan de opkomst van de Talibaan, staat aan de verliezende kant en moet zijn rol nog zien te vinden. De Verenigde Staten, waarvan de campagne tegen terrorisme tot de instorting van de Talibaan heeft geleid, hebben zich evenmin al in Kabul gemeld. Maar Washington zal zeker zijn invloed laten gelden.

In Iran, sinds de Islamitische Revolutie door de buitenwereld met argwaan bekeken, is het de laatste weken een va-et-vient van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. ,,Teheran is brandpunt van consultaties over de toekomst van Afghanistan'', meldde de Iraanse pers vorige week unaniem tevreden naar aanleiding van het tweede bezoek van de Britse minister van Buitenlandse Zaken sinds 11 september. Want Iran moge dezer dagen vooral bekend zijn van de verbitterde interne machtsstrijd, ten aanzien van Afghanistan zijn de verschillende facties het wel min of meer eens. Daar moet Iran een dikke vinger in de pap hebben, en de concurrentie niet.

Dat heet in Iraanse termen: ,,het lot van Afghanistan moet worden overgelaten aan de wil van het Afghaanse volk''. Iran leest die volkswil zo: geen terugkeer van koning Zahir Shah, God verhoede het, want dat zou bepaalde groepen in de Iraanse bevolking alleen maar op ideeën brengen. En geen buitenlandse (vredes)troepen, waarin Iran als `schurkenstaat' toch niet zou worden opgenomen en die deze of gene krijgsheer of bevolkingsgroep zouden kunnen bevoordelen of de wil van hun hoofdstad opleggen. ,,Afghanen houden niet van inmenging van buitenaf'', zei minister van Buitenlandse Zaken Kharrazi eerder deze maand tegen zijn Turkse ambtgenoot Cem. Kharrazi reageerde op berichten dat Turkije door het Westen als een geschikte aanvoerder van een eventuele vredesmacht werd gezien. Iran ziet Turkije echter mede in het licht van zijn verwantschap met de Afghaanse Oezbeken (van krijgsheer generaal Rashid Dostam).

Maar de plannen van Amerika worden met nog groter wantrouwen afgewacht. Met name vreest Iran dat daar wordt gespeeld met de gedachte oude plannen tot de aanleg van een gaspijpleiding van Oezbekistan door Afghanistan naar Pakistan te verwezenlijken. Iran is niet vergeten dat de VS in 1996 de opkomst van de Talibaan aanvankelijk welwillend bezagen, omdat stabilisatie van het land, zelfs onder een méér dan fundamentalistisch regime, de bouw van de pijpleiding mogelijk zou maken. Teheran wil óók profiteren van de Centraal-Aziatische energiemarkt, en niet daarvan worden uitgesloten.

Het Iraanse verlangen naar zeggenschap over de toekomst van de regio komt in het algemeen voort uit de overtuiging dat Iran met zijn grootse geschiedenis en economisch gewicht (olieland) een regionale mogendheid is, een beetje belangrijker dan de buurlanden, met bijbehorende bevoegdheden. ,,De wereld bevestigt terecht het geopolitiek belang van Iran'', schreef de Tehran Times gisteren nog.

Het bezwaar tegen invloed van derden stamt uit de eeuwenlange interventies door Groot-Brittannië, Rusland (Sovjet-Unie) en vanaf vorige eeuw ook de Verenigde Staten in het gebied, die zich in het geheel niet stoorden aan wat de Iraniërs nu eigenlijk wilden, maar alleen de eigen belangen in het oog hielden. Afkeer van buitenlandse – op dat moment de Amerikaanse – dominantie was een van de drijfveren voor de Islamitische Revolutie van 1979. Twintig jaar later hamert het leiderschap in Teheran nog steeds op de Iraanse onafhankelijkheid en ongebondenheid. Het wantrouwen in andermans motieven, niet alleen de Amerikaanse, is nauwelijks verminderd.

Ten aanzien van Afghanistan heeft Iran verscheidene specifieke punten van zorg:

Met de zojuist uit Kabul verjaagde Talibaan is Iran op de rand van oorlog geraakt.

De stroom opium en heroïne uit het buurland, waarmee de Talibaan hun machtsgreep bekostigden, hebben gezorgd voor een nationale crisis (Iran staat nummer één op de wereldranglijst opiatengebruik).

Afghanistan produceert een permanente stroom vluchtelingen, waarop de Iraniërs, zelf worstelend met een kwakkelende economie, bepaald niet zitten te wachten (en dat maken ze de alomtegenwoordige Afghanen overduidelijk).

De Iraanse geestelijkheid vindt dat de star-fundamentalistische Talibaan het imago van de islam grote schade hebben toegebracht.

Iran voelt zich verantwoordelijk voor de minderheid van shi'itische geloofsgenoten aan de andere zijde van de grens.

Het ziet een verzwakking van Perzische taal en cultuur in het land. en ten slotte vreest het bovengenoemde pijpleidingplannen.

Wordt Iran winnaar of verliezer van de interventie in Afghanistan? Het hangt ervan af hoe aan de Iraanse zorgen wordt tegemoet gekomen.

    • Carolien Roelants