De oom van sportend Nederland

Aimabel noemen ze hem, de oom van sportend Nederland. Een vriendelijke grijsaard wiens grote kracht het bijeenhouden van de familie is. Oom Hans is er ook, hoor je ze fluisteren wanneer Hans Blankert in naam van het Nederlands Olympisch Comité zich in zijn oranje colbertje temidden van de beste Nederlandse sportjongens en -meisjes begeeft. Meneer Hans, zie je ze denken wanneer hij zich heeft laten omringen door de sportbestuurders met minder charisma.

Johan Cornelis Blankert (1940, Medan, Indonesië) is een charmeur. Hij straalt tenminste niet de verbetenheid, ijdelheid en machtwellust uit die zo kenmerkend is voor sportbestuurders. Op zijn eigen, aimabele wijze weet hij mensen van het nut van zijn aanwezigheid, zijn eigenschappen en zijn ideeën te overtuigen. Want pas op: wanneer Blankert iets wil, laat hij zich niet weerhouden.

Zijn charme gebruikt hij als camouflage. Onder het grijze haar en achter het bolle, blozende gezicht gloeien grote ambities – nog altijd. Als een echte sportman (oud-basketballer, oud-hockeyer, tennisser en golfspeler) houdt hij van strijd én van winnen. Vooral van overwinnen, zoals hij met zijn moeder de ontberingen in een Jappenkamp overwon.

Hij is een intelligente onderhandelaar die voor- en tegenstanders bij elkaar kan roepen om hand in hand op weg te gaan naar de eeuwige vrede. Het leiden en besturen is, sinds hij het gymnasium verliet en als bedrijfseconoom in Rotterdam afstudeerde, een tweede natuur geworden. De kunst van het samensmeden toonde Blankert vooral bij de fusie tussen het openbare VNO en het christelijke NCW (werkgeversorganisaties) in 1994. Een huzarenstukje dat hem in Duitsland de Bertelsmannprijs opleverde, een prestigieuze prijs voor de Nederlandse overlegeconomie.

Zo'n man zou de overkoepelende sportorganisatie NOC*NSF goed kunnen gebruiken, meende men halverwege 1999. Een man die de notoire conflictzoekers van de sportwereld in het gelid kan houden en de deur naar de kortzichtige politici op stijlvolle wijze kan openen. Zo liet hij al bij zijn inauguratie de politiek schrikken door voor te stellen in 2000 Prinsjesdag met een week te vervroegen omdat op de derde dinsdag in september de opening van de Olympische Spelen plaats had. Daardoor zouden kroonprins Willem-Alexander, lid van het IOC, en aanwezige kabinetsleden niet meteen na de opening naar Nederland hoeven terug te reizen. Een lumineus idee. Niet de inhoud maar het effect van zijn boodschap getuigde van originaliteit en vooral van durf: eens even die politiek en haar vastgeroeste ideeën de schrik op het lijf jagen. Dat was een sportbestuurder in Nederland nog niet eerder gelukt.

Wie weet is Blankert de man die de sport zich kan wensen. Zoals hij met Margo Vliegenthart, onze verleidelijke sportstaatssecretaris, flirt. En zoals hij de beheerders van overheidsgeld betovert. Deze grijze emimentie is er op uit zoveel mogelijk geld voor sport te vragen. Het ene miljoen is nog niet binnen of hij vraagt het volgende. Soms vraag je je af of hij de realiteit in de samenleving niet uit het oog verliest en sport (lees: jacht op olympische medailles) te veel prioriteit geeft.

Want sport en spel mogen dan lijf en geest levendig houden en topsportsuccessen mogen dan de basis vormen voor de groei van sportbeoefening, nog meer miljoenen investeren in sport dan nu al het geval is, is buiten proportie en lijkt niet reëel. Er is meer dan sport. Zo goed hoeft hij niet zijn best te doen. Een koninklijke onderscheiding heeft hij al. En de status van oom die het beste met zijn neefjes en nichtjes voor heeft, is al lang en breed gevestigd.

    • Guus van Holland