Vandaag een vriend, morgen een vijand

De geschiedenis van Afghanistan is een bloedig tableau. Elke dag lopen tien Afghanen op een mijn. Iedereen in het land heeft nog wel een oude rekening te vereffenen. Een Wie is wie van een verwoeste natie.

Tussen de ruïnes van een lang geleden kapotgeschoten woonwijk, in een koude, vochtige grot in de bergen, in een open veld of in een lemen hut – in Afghanistan zijn vandaag vier baby's geboren. Volgens de statistieken van de Verenigde Naties sterft één van hen voor het vijfde levensjaar, aan uitdroging, ondervoeding, malaria, tuberculose of een bijna vergeten ziekte als de mazelen. De andere drie pasgeborenen hebben een levensverwachting van 41 jaar, inshallah – als God het wil. De kans dat hun moeder de geboorte niet overleeft, is groter dan waar dan ook ter wereld. Er is één verschil met een paar weken geleden: de pasgeboren meisjes mogen over een paar jaar naar school.

In een imposant kasteel langs de Rijn nabij Bonn, ver weg van de grottencomplexen van Osama bin Laden en de wankelende stellingen van de Talibaan, begint maandag een conferentie die moet leiden tot de politieke en uiteindelijk ook de economische wederopbouw van Afghanistan. Het proces lijkt ten minste zo ingewikkeld als de uitroeiing van het internationale terrorisme – of de opsporing van de leider van het Al-Qaeda-netwerk. Het meest optimistische doel van de conferentie is ,,het transporteren van 25 Afghaanse leiders'' naar Duitsland, schreef de Pakistaanse Afghanistan-kenner Ahmed Rashid deze week in de Far Eastern Economic Review.

De wereld heeft jarenlang nauwelijks oog gehad voor het tragische lot van de naar schatting 26 miljoen Afghanen. Maar sinds 11 september en de toch nog snelle val van het extremistische Talibaanbewind staat Afghanistan plotseling weer in het middelpunt van de belangstelling. Diplomaten uit allerlei landen verzekeren elkaar dagelijks dat zij Afghanistan niet nog eens aan zijn lot zullen overlaten, zoals gebeurde na de terugtrekking van de sovjettroepen aan het eind van de jaren tachtig. De gevolgen daarvan waren meer dan desastreus.

In de analyse van het probleem zijn de diplomaten tamelijk eensluidend. Vrijwel alles is vernietigd in het onherbergzame land rondom het Hindukush-gebergte. De grote uitdaging in Bonn is om een begin te maken met een politiek proces dat moet leiden tot een overgangsregering waar de vele tientallen etnische en religieuze groeperingen in Afghanistan hun steun aan willen geven, voordat de facties terugvallen in hun oude gewoonte van stammenstrijd en oorlogvoering. Pas als er een regering bestaat waarin alle stammen samenwerken, kan een begin worden gemaakt met de echte wederopbouw.

Afghanistan begint op ground zero. Niet alleen is een stad als Kabul voor een derde verwoest, vooral door de burgeroorlog die uitbrak na het vertrek van de Russen, het is ook ruim twaalf jaar geleden dat in Afghanistan de laatste brief via de officiële posterijen werd bezorgd. Aan flarden geschoten, verboden, verbrand of opgedoekt, het postale netwerk bestaat eenvoudig niet meer. Het is maar één van de vele diensten die in de rest van de wereld vanzelfsprekend zijn. Afghanistan heeft geen centrale bank meer; geld wordt per stapel `verkocht' voor dollars in de bazars van de grote steden. Telecommunicatiemaatschappijen, een rechtssysteem, een waterleidingbedrijf, een Grondwet, wegen, fabrieken, een politiekorps – de Afghanen zijn eraan gewend dat deze niet bestaan. Dat de nationale luchtvaartmaatschappij Ariane Afghan Airlines niet meer vliegt zal de meeste inwoners een zorg zijn. De vliegvelden waren al grotendeels onklaar voordat de Amerikaanse bommenwerpers op 7 oktober in het Afghaanse luchtruim verschenen.

Minder dan een kwart van de Afghaanse bevolking heeft toegang tot veilig drinkwater. Zo'n tien procent van de Afghanen kent de luxe van een wc. Televisie en radio zijn er sinds kort weer wel, in Kabul en enkele andere steden. In Herat is zelfs een internetcafé geopend – maar voor al dat soort luxueuze voorzieningen geldt dat ze alleen werken als er stroom is.

De kosten van de materiële wederopbouw van Afghanistan werden onlangs door de Wereldbank geschat op 25 miljard dollar. Hoe voortvarend de internationale gemeenschap met Afghanistan aan de slag wil blijkt uit een speciale conferentie die de Verenigde Staten en Japan vorige week in Washington belegden met financiële vertegenwoordigers uit 21 landen, de Europese Unie, de Wereldbank en de Islamitische Ontwikkelingsbank.

Daarbij is nog geen rekening gehouden met een drastische hervorming van de economie. Talloze families leven nog van de handel in opium, in sommige provincies langs de grens met Pakistan meer dan 90 procent. De handel in drugs, wapens en allerhande smokkelwaar is zowel voor de Talibaan als de oppositie traditioneel de voornaamste bron van inkomsten.

Maar voordat de Afghaanse akkers worden voorzien van andere gewassen moet elke vierkante meter grond worden ontdaan van landmijnen. Volgens berekeningen gaat de opruiming van 's werelds meest ondermijnde land 500 miljoen dollar kosten. Sinds de legers van de Sovjet-Unie in 1979 binnenvielen zijn er, tot het begin van de laatste vijandelijkheden, ruim tien miljoen mijnen gelegd die nog steeds elke dag meer dan tien slachtoffers eisen onder spelende kinderen, zwervende nomaden en grazend vee. De dichtstbijzijnde arts heeft vermoedelijk meer dan 50.000 andere patiënten.

Op de vlucht geslagen voor de realiteit van alledag, de bloedige oorlogen, de aanhoudende droogte, de voedseltekorten en een aantal zware aardbevingen in 1997 en 1998, leven inmiddels zo'n vier miljoen Afghanen in het buitenland, vooral in de buurlanden Pakistan en Iran. In de eindeloze vluchtelingenkampen langs de Afghaans-Pakistaanse grenzen wonen soms meer dan 80.000 mensen, vaak de hoger opgeleiden. Er wonen ook talloze Afghanen die in Pakistan geboren en getogen zijn en die hun vaderland alleen maar kennen uit de overlevering. Een onbekend aantal Afghanen, maar vermoedelijk vele tienduizenden, is sinds 7 oktober uitgeweken naar provisorisch ingerichte kampen binnen Afghanistan zelf, op de vlucht voor de Amerikaanse bombardementen en de snel verschuivende frontlinies.

De eerste prioriteit van de hulpverlenende instanties is om voor de inval van de winter voedsel te verstrekken aan ongeveer 6 miljoen mensen die honger lijden. Een blik op de verwoeste wegen toont hoe moeilijk die operatie zal worden.

Mozaïek

Daarover, en over de naweeën van het schrikbewind van de ultra-orthodoxe Talibaan gedurende de afgelopen zes jaar, gaat het allemaal niet in Bonn. Want alle betrokkenen lijken het erover eens dat de wederopbouw van Afghanistan pas gaat beginnen als er een einde is gekomen aan de kalasjnikov-cultuur van krijgsheren, mullahs, lokale commandanten, bandietenleiders en stamhoofden die het gezicht van Afghanistan bepaalt. Centraal staat de vraag of die waaier aan grote en kleine Afghaanse leiders bereid is de macht te delen.

De Verenigde Naties, die als voorzitter van de conferentie in Bonn fungeren, hebben vertegenwoordigers van ruwweg vijf groeperingen uitgenodigd voor de besprekingen, die in eerste instantie moeten leiden tot de formering van een kleine, representatieve autoriteit. Dat openbare lichaam moet vervolgens in Kabul de weg bereiden voor een loya jirga, een grote vergadering waarin alle etnische groeperingen, stammen en clans een brede overgangsregering moeten kiezen, alsmede een (voorlopige) regeringsleider.

Dat de Algerijnse VN-gezant Lakhdar Brahimi voor zo'n omslachtige weg heeft gekozen, heeft alles te maken met het etnische mozaïek dat Afghanistan is. Ondanks de grote verscheidenheid voelen de meeste van die groeperingen zich wel Afghaans. Allereerst zijn er de Pashtu-sprekende Pathanen, soennitische moslims die niet alleen in Zuid-Afghanistan wonen, maar ook in Pakistan. Zij vormen met zo'n 40 procent de grootste groep in Afghanistan, maar zijn verdeeld in honderden kleinere stammen, substammen en clans. Na de Pathanen volgen de soennitische Tadzjieken uit het noorden, ongeveer een kwart van de bevolking. Zij spreken Dari, de Afghaanse variant van het Perzisch. De Hazara's, sjiitische moslims uit Midden-Afghanistan, vormen ongeveer een vijfde van de bevolking, gevolgd door verschillende kleinere groeperingen als de Turkmenen, Baluchi's, Kirgiziërs, Nuristani's en Oezbeken, die allen hun eigen taal spreken.

Brahimi wil eerst dat er consensus wordt bereikt tussen de grootste groeperingen, waarvan hij – typerend voor de complexiteit van de samenleving – ,,niet meer dan dertig'' vertegenwoordigers bij elkaar wil brengen. Zo'n beperkte lijst van genodigden – eerste inventarisaties van de Afghanen zelf kwamen over de honderd deelnemers – brengt in Afghanistan per definitie al problemen.

Alleen al de Noordelijke Alliantie bestaat uit Tadzjieken, Oezbeken en Hazara's die elkaar in het verleden op leven en dood hebben bestreden. Hun enige overeenkomst gedurende de afgelopen jaren was hun gemeenschappelijke vijand, de Talibaan, die overwegend Pathanen zijn.

De alliantie wordt gedomineerd door de machtigste groep in Noord-Afghanistan, de Tadzjieken, die ondanks Amerikaanse bezwaren de macht overnamen in Kabul. Sinds de moord op generaal Ahmed Shah Massoud, in september, zijn drie Tadzjiekse leiders naar voren gekomen: minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Abdullah, minister van Binnenlandse Zaken Yunis Qanuni – een snel rijzende ster binnen de alliantie die zelf naar Bonn reist – en de militaire leider, generaal Mohammed Fahim.

Dat zelfs de Tadzjieken onderling verdeeld zijn, bleek de afgelopen week uit het feit dat de leiders probeerden oud-president Rabbani, ook een Tadzjiek, ervan te weerhouden terug te keren naar Kabul omdat hij te veel lijkt te hechten aan zijn oude post, en te weinig aan een nieuwe, multi-etnische regering in Afghanistan. Rabbani, die nog steeds de Afghaanse zetel in de Verenigde Naties bekleedt, liet deze week weten dat hij de aanstaande conferentie in Bonn niet meer dan ,,symbolisch'' vond. Rabbani ging echter schoorvoetend akkoord.

Whisky

De Oezbeken, afstammelingen van Centraal-Aziatische nomaden, staan al jaren onder leiding van de meedogenloze generaal Abdul Rashid Dostam, die de noordelijke stad Mazar-i-Sharif tot zijn domein rekent. Dostam, vooral bekend om zijn liefde voor whisky en zijn favoriete executiemethode – het verpletteren van criminelen en verraders onder een tank – liep in de loop van de jaren herhaaldelijk over. Zo vocht hij eerst met de sovjettroepen tegen de mujahedeen, schaarde zich in het begin van de jaren negentig achter het communistische bewind van toenmalig president Najibullah, totdat hij zich begin 1992 plotseling aansloot bij de Tadzjiekse mujahedeen-leider Massoud. Om meer invloed af te dwingen keerde hij zich later tegen de Tadzjieken. Na de opmars van de Talibaan sloot hij zich weer bij hen aan. Dostam heeft laten weten achter de militaire leider van de alliantie, generaal Mohammed Fahim, te staan. Gezien zijn verleden is het niet ondenkbaar dat hij nog van mening verandert.

De Hazara's, nagenoeg de enige sjiieten in Afghanistan, vormen de kleinste groepering binnen de Noordelijke Alliantie en staan onder leiding van de Hezb-i-Wahdat van Karim Khalili. De Hazara's, een volk dat zich in de dertiende eeuw in Afghanistan vestigde, maken zich ernstige zorgen over de snel groeiende macht van de Tadzjieken, die zij in het verleden hebben beschuldigd van massale slachtpartijen onder hun bevolking.

Na de inname van Kabul, in april 1992, door de zeven groeperingen die samen de mujahedeen vormden, was de hoofdstad lange tijd het strijdtoneel van talloze facties en splintergroeperingen. Ze hadden Kabul opgedeeld. In die periode, waarbij de loyaliteiten soms om de week veranderden, werd een groot deel van de stad verwoest door bombardementen, en kwamen naar schatting 50.000 mensen om in een orgie van wetteloosheid waarin executies, verkrachtingen en moordpartijen bij het leven van alledag hoorden.

Het was met name door die episode in de Afghaanse geschiedenis dat de Amerikanen en vooral de inwoners van Kabul hun adem inhielden toen enkele duizenden strijders van de Noordelijke Alliantie kortgeleden de stad innamen na het plotselinge vertrek van de Talibaan. Een aanzienlijk deel van de `bevrijders' maakte nog maar vijf jaar geleden deel uit van die mujahedeen.

De Pathanen zelf zijn mogelijk nog meer gefragmenteerd dan de strijdgroepen van de Noordelijke Alliantie. Met het wegvallen van de Talibaan proberen allerlei regionale commandanten van verschillende Pathaanse stammen in het vacuüm te stappen dat de mannen van mullah Mohammed Omar achterlaten. Een deel van de Pathanen steunt de 87-jarige voormalige koning van Afghanistan, Zahir Shah, een Pathaan die in de jaren zeventig werd afgezet en sindsdien in Rome woont. Hij wordt in het buitenland gezien als de man die de groepen mogelijk bij elkaar zou kunnen brengen.

De ex-koning zelf stuurt ook een delegatie naar Bonn, onder wie twee vrouwen, mede om aan te geven dat het tijdperk van de Talibaan voorgoed voorbij is. Zahir Shah heeft steeds gezegd dat hij geen ambities meer heeft als vorst, maar wel beschikbaar is om alle partijen in Kabul bijeen te brengen.

Andere groeperingen die naar Bonn zullen reizen zijn Afghaanse émigrés uit Pakistan en ook uit Iran. Tot de laatste groep behoort onder anderen de Pathaan Gulbuddin Hekmatyar, oud-premier en één van de sterkste en best bewapende krijgsheren van de vroegere mujahedeen. Hekmatyar wordt beschuldigd van de moord op vele duizenden burgers tijdens een belegering van Kabul in 1994. Hij leeft in Iran, laat daarvandaan zeer anti-Amerikaanse geluiden horen, en moet ook nog ambities koesteren voor een plek aan de politieke top.

Zwarte tulband

De recente Afghaanse geschiedenis is een bloedig tableau. Iedereen heeft nog wel een oude rekening te vereffenen met een ander. De vriend van vandaag is de vijand van morgen; akkoorden zijn geldig totdat ze niet meer gelden. Niet alleen de opmars van de Talibaan na 1995 was grotendeels te danken aan overloperij, omkoperij, verraad en wraak – zaken die als een rode draad door de Afghaanse geschiedenis gaan – ook de snelle aftakeling van de religieuze beweging kan daardoor deels worden verklaard. Onder meer bij de belegering van de stad Kunduz wierpen Talibaanstrijders direct na hun overgave de zwarte tulband af en openden het vuur op hun voormalige broeders in de stad.

Berucht is het verhaal dat generaal Dostam in de jaren negentig zijn belangrijkste Oezbeekse rivaal, Ghulan Rasul Pahlawan, uit de weg liet ruimen. Diens broer, Abdul Malik Pahlawan, nam wraak op Dostam door zich in mei 1997 bij de Talibaan aan te sluiten. Dat stelde de strijders van de Talibaan in staat Mazar-i-Sharif in te nemen. Maar al na drie dagen werden ze verdreven nadat Malik zich plotseling weer tegen de Talibaan had gekeerd. Bij die machtswisseling werden naar schatting drieduizend Talibaanstrijders gedood. Anderhalf jaar later, bij hun herovering van Mazar-i-Sharif, namen de Talibaan wraak en doodden op hun beurt vier- tot vijfduizend inwoners van de stad. Eergisteren maakten medewerkers van het Internationale Comité van het Rode Kruis bekend dat zij in de stad opnieuw zeshonderd doden hadden aangetroffen. Over hun identiteit lieten zij nog niets los.

De grote vraag in het vredesproces zal zijn of de Afghaanse leiders bereid zijn oud verraad, onderlinge vetes en reeds geagendeerde wraakacties te vergeten. Het lijkt een kansloze missie gezien de aard en de omvang van het bloedvergieten dat Afghanistan in de loop van de jaren heeft verscheurd. Bovendien zijn al vóór de val van de Talibaan berichten naar buiten gekomen over vuurgevechten tussen Oezbeekse en Tadzjiekse leden van de Noordelijke Alliantie, die ieder zoveel mogelijk gebied willen innemen voordat de besprekingen beginnen. Het maakte eens te meer duidelijk dat het land nooit een eenheidsstaat is geweest.

,,We hebben aan iedereen duidelijk gemaakt dat de huidige controle van facties over een bepaald gebied, of nieuwe veroveringen, geen recht geven op claims voor het toekomstige bestuur van Afghanistan'', zei Francesc Vendrell, de rechterhand van VN-gezant Brahimi. ,,Iedereen moet meewerken aan de opbouw van een nieuwe, brede, multi-etnische regering.'' Daarmee doelde Vendrell, zonder het te zeggen, vooral op de Noordelijke Alliantie, die meer dan de helft van Afghanistan onder haar controle heeft, en die ook de dienst uitmaakt in de hoofdstad Kabul.

Vendrell waarschuwde gisteren in Islamabad voor te hoge verwachtingen over de bijeenkomst in Bonn. ,,Er bestaat heel veel wantrouwen tussen de verschillende groeperingen'', zei hij. Om er snel aan toe te voegen: ,,Er bestaat zelfs geen volle overeenstemming binnen de verschillende groeperingen.''

Kabul, de hoofdprijs voor elke Afghaanse strijder, fungeert als voorbeeld: de posities worden ingenomen, de banen verdeeld. De alliantie versterkt haar greep op de stad nog dagelijks. Niet alleen patrouilleren zo'n vierduizend soldaten van Tadzjiekse afkomst in de straten, veel topfuncties op de departementen worden vervuld door leden van Rabbani's partij Jamiat-i-Islami.

Desondanks zei de Britse minister van Defensie, Geoff Hoon, onlangs dat de leden van de alliantie zich ,,zeer verantwoordelijk'' gedragen in Kabul. Ook vond hij dat hun controle over de stad ,,indrukwekkend'' was. Te indrukwekkend, vinden de Hazara's, die in het westen van de stad hun leven proberen terug te vinden in hun eigen, totaal verwoeste wijken en een eigen politiemacht willen oprichten voor hun bescherming. Andere inwoners van Kabul pleiten nu voor een internationale troepenmacht, samengesteld uit soldaten uit islamitische landen als Turkije, Indonesië en Bangladesh, om een herhaling van de geschiedenis te voorkomen.

Opmerkelijk is dat in de internationale diplomatie geen enkele rekening meer wordt gehouden met de Talibaan. Inmiddels zijn zij dankzij de Amerikaanse bombardementen weer terug in hun oorspronkelijke leefgebied.

In de eerste plaats zijn zij militair nog niet verslagen. In de tweede plaats hebben de afgelopen weken in het hele land lokale krijgsheren die de Talibaan tot voor kort steunden, besloten de zijde van de ogenschijnlijke winnaars te kiezen. Het is in de Afghaanse context niet uit te sluiten dat sommige van hen zich om financiële of andere redenen opnieuw bij de Talibaan zullen aansluiten als mullah Omar erin slaagt een guerrilla-oorlog te beginnen.

Wellicht zijn het juist de Talibaan die kunnen profiteren van een mislukking van de besprekingen en de daaropvolgende versnippering van de macht. Het nachtmerriescenario is een nieuwe burgeroorlog waarvan niemand kan voorspellen hoe lang die gaat duren, en waarin die zal eindigen. VN-gezant Brahimi mag optimistisch zijn over de eerste geluiden over samenwerking die hij van de verschillende facties heeft gehoord, de geschiedenis van Afghanistan toont aan dat de groeperingen die het in Bonn met elkaar eens moeten worden, minder waarde hechten aan een papieren akkoord dan aan de loop van een wapen.