Singapore

Het artikel `Verkiezingen van de angst Singaporese regeringspartij PAP is bang dat de oppositie serieus wordt genomen' (NRC Handelsblad, 2 november) van Robert Giebels is misleidend wanneer hij beweert dat de regeringspartij bang is dat de oppositie serieus wordt genomen.

Vele leden van de oppositie hebben zonder enig probleem oppositie gevoerd tegen de PAP. Twee parlementsleden van de oppositie met een lange staat van dienst, de heer Low Thia Khiang (parlementslid sinds 1991) en de heer Chiam See Tong (parlementslid sinds 1984), die beiden op 3 november 2001 werden herkozen als parlementslid, hebben steeds krachtig oppositie gevoerd in het Parlement tegen de PAP. Zij hebben hierbij geen problemen ondervonden omdat ze steeds de wet gerespecteerd hebben.

Volgens de wetten op smaad in Singapore, heeft een individu wiens goede naam is aangetast, het recht een verontschuldiging en eerherstel te eisen via de rechtbank om zo zijn naam en reputatie te zuiveren. Niet alleen leden van de regering, maar ook politici van de oppositie hebben zo processen aangespannen wegens smaad. Politici van de oppositie hebben dus politici van de regering aangeklaagd (die schadevergoeding betaald hebben). Politici van de oppositie hebben ook andere politici van de oppositie gevolgd. De heer J.B. Jeyaretnam heeft, als lid van de oppositie, eerste-minister Goh Chok Tong vervolgd, en bracht de zaak zelfs voor de Geheime Raad in Londen. De heer Jeyretnam verloor.

Het is absurd te suggereren dat de PAP in 12 achtereenvolgende verkiezingen werd herkozen ,,in een klimaat van angst'', zoals Giebels doet. Bij de recente verkiezingen hebben de Singaporezen de PAP beslissend mandaat gegeven met 75,3 procent van alle stemmen in haar voordeel om door te gaan met haar inspanningen om de economie te herstructureren en de werkgelegenheid te bevorderen om zo 25.000 banen te creëren, die dit jaar door de toenemende recessie dreigen te verdwijnen. Singaporezen hebben de PAP-regering herkozen met dergelijk overweldigend mandaat omdat ze de belangen van de bevolking steeds in ruime mate tegemoetgekomen is.

    • A. Selverajah