Parkeren als juridisch hoogstandje

Met het vullen van de parkeerautomaat doet de belastingplichtige automobilist aangifte en voldoet de aanslag. Binnenkort in sommige gemeenten alleen met een chipkaart.

Soms is de ambtelijke creativiteit onnavolgbaar. Een mooi staaltje zagen we tien jaar geleden met de opzet van een nieuw systeem voor het `uitmelken' van de automobilist. De vondst bestond uit het bombarderen van het parkeergelden tot heuse belastingen. Daardoor werden de regels voor het betalen van belasting op geforceerde wijze van toepassing op het parkeren. Dat is smullen voor scherpslijpers.

Juridisch gesproken werd het parkeren in een aangegeven zone een handeling die belastingplicht oproept. Als de automobilist geld in de parkeerautomaat gooit, doet hij aangifte van dat feit. Formeel gesproken is dat hetzelfde als het invullen van een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting. Alleen bij de parkeerbelasting moet men tegelijk met het doen van aangifte het verschuldigde bedrag betalen. Dat alles gebeurt in één keer met het inwerpen van geld in de parkeerautomaat. Tenminste tot voor kort. Met de euro in zicht heeft het kabinet deze zomer de gemeenten toestemming gegeven de automaten zo om te bouwen dat men alleen nog maar met een chipkaart kan betalen. Op zichzelf is vreemd dat men een belastingschuld niet met een wettig betaalmiddel kan voldoen.

Met deze nieuwe opzet vervalt het excuus dat men onvoldoende munten bij zich heeft om de automaat te vullen en eerst in een winkel moest wisselen. Dit excuus kan overigens weinig parkeerwachters vermurwen en de rechter is helemaal streng. Wie wil parkeren, moet voldoende muntgeld op zak hebben.

Binnenkort geldt de eis dat er voldoende euro's op de chipknip moeten staan. Als reactie op de betaling spuugt de automaat een bonnetje uit. Dat is niet zo maar een papiertje, het is het bewijsstuk dat belasting is voldaan. Dit moet men zo snel mogelijk achter de voorruit leggen. Sommige parkeerwachters verwachten dat men daarvoor een sprintje trekt. De rechter gunt de automobilist een rustiger tempo. Men heeft zeker vijf minuten marge. Daarin is ook een tolerantie voor tijdsverschillen tussen de automaat en het horloge van de parkeerwacht ingecalculeerd.

Verder hoeft men bij het meteen in- en uitladen van passagiers of goederen geen belasting te betalen. Dat criterium hanteert de rechter wel strikt. Iemand die bij gebrek aan parkeerruimte op zo'n 100 meter van een winkel parkeerde, kwam ook bij de rechter niet uit onder zijn bon. Die wordt uitgeschreven door parkeerwachters. Dat zijn in feite gemeentelijke belastingambtenaren. Ze stuiten op veel agressie, vooral op donderdagen. Dat houdt verband met de koopavond. De bon voor foutparkeerders is een naheffingsaanslag van slechts enkele guldens, verhoogd met tientallen guldens aan kosten. Het maximumbedrag bedraagt 86 gulden; de overheid grijpt de overgang naar de euro aan om dat maximum op te trekken tot 41 euro, omstreeks 90 gulden.

In steeds minder steden loopt men de kans op een wielklem. Fiscaal is het aanbrengen van de wielklem niets anders dan het veiligstellen van de betaling van de naheffingsaanslag. Voor het klemmen mag de gemeente slechts een kostenvergoeding in rekening brengen, al komen veel gemeenten met wat creatief boekhouden op onwaarschijnlijk hoge bedragen uit.

Met het betalen van de parkeerbelasting heeft men zijn fiscale plichten getrouw nageleefd. Toch ontstaan er problemen als het bonnetje niet (meer) achter de voorruit ligt, bijvoorbeeld omdat het op de grond is gevallen. De controleur schrijft zijn bon hoewel hij formeel geen naheffingsaanslag kan opleggen. Een belastingambtenaar kan immers geen belasting naheffen die al lang is betaald. Ook een wielklem is dan onterecht. De parkeerder die een geldig betaalbewijs toont, krijgt alle kosten terug. Dat wil niet zeggen dat hij er bij een onwillige gemeentelijke belastingdienst weinig moeite voor zal moeten doen. Wie het systeem doorheeft, begrijpt dat men conflicten over de parkeerheffing in hoogste instantie moet uitvechten bij de belastingrechter. Ook daar kan men nog op de proppen komen met een parkeerkaartje (betalingsbewijs) dat betrekking heeft op de plaats en het moment waarop de bon (naheffingsaanslag) was uitgeschreven.

Met een speciale vergunning kunnen gehandicapten kosteloos op een invalidenparkeerplaats staan. Maar als ze hun auto op een andere parkeerplaats neerzetten, moeten ze net als ieder ander een parkeerkaartje kopen.

Automobilisten die hun auto achterlaten op een verboden plaats (bijvoorbeeld op de stoep, op een invalidenparkeerplaats of bij een algemeen parkeerverbod) riskeren ingrijpen van de politie, niet van een belastingambtenaar. De politie deelt een bekeuring uit net als bij een snelheidsovertreding. Wil de automobilist die boete aanvechten, dan komt hij bij de strafrechter.

Zo'n foutparkeerder loopt overigens niet het risico van een wielklem, wat foutparkeren goedkoper kan maken dan het parkeren in een parkeervak zonder belasting te betalen. Daar staat tegenover dat foutparkeerders op een invalidenparkeerplaats of op een hinderlijke plaats het risico lopen dat hun auto wordt weggesleept. Dat is nog duurder dan een wielklem.

Met de parkeervergunning voor mensen die in de buurt werken of wonen, ligt het anders. De vergunning is geen bewijs van het betalen van belasting maar de prijs voor de toestemming om op een bepaalde plaats te parkeren zonder belasting te hoeven betalen. Het is louter een vergoeding van de kosten die de gemeente moest maken om de vergunning uit te schrijven.

Dit juridische hoogstandje heeft gevolgen. Een achter de voorruit weggegleden vergunning biedt niet dezelfde bescherming als een weggewaaid parkeerkaartje. Een los kaartje is immers een betalingsbewijs ook al plaatst men het niet overeenkomstig de voorschriften; een vergunning is een betalingsvrijstelling die alleen geldig is als het op de voorgeschreven wijze tegen de ruit geplakt zit. Bij de parkeervergunningen moet men bovendien twee soorten onderscheiden. Met een kentekengebonden vergunning kan men in de aangewezen zone parkeren maar alleen met de aangegeven auto. De persoongebonden vergunning is ruimer. Daarmee kan men ook van de parkeerplaats gebruik maken, als de auto in reparatie is en men tijdelijk met een huurauto rijdt.

Parkeren is in beginsel zo simpel, maar er hoeft maar iets mis te gaan of alleen een gevorderde jurist kan er nog uitkomen.

    • Aertjan Grotenhuis
    • Kees van Hooft