Nederlanders

Hans de Beer - Voeding, gezondheid en arbeid in Nederland tijdens de negentiende eeuw - Universiteit Utrecht, 9 november 2001. Promotor : prof.dr. J.L. van Zanden. Amsterdam, Aksant, 245 blz.

`Spoorloos' hoort tot mijn favoriete televisieprogramma's. Tegen de tijd dat de afgestane en geadopteerde zoon of dochter weer voor even herenigd wordt met het straatarme Ceylonese of Colombiaanse gezin van herkomst, lopen de tranen me al over de wangen, maar tegelijkertijd zie ik toch ook heel goed het verschil tussen het in Nederland opgegroeide kind en zijn broertjes en zusjes in de rimboe. De langste, breedste, gezondste en fierste van het stel is hier opgegroeid. Ook van huis uit niet-Nederlanders worden in Nederland groter dan thuis. Nederlanders worden trouwens ook steeds groter. Inmiddels zijn we wereldrecordhouder lichaamslengte met een gemiddelde van 1.84 meter bij de mannen en 1.71 bij de vrouwen. Sinds 1965 is de lengte bij mannen met gemiddeld 6 centimeter toegenomen en bij vrouwen met ruim 4 centimeter. Een eeuw geleden lag de gemiddelde lengte bij het begin van de volwassenheid op ongeveer 1.70 meter voor mannen en 1.60 meter voor vrouwen. Dat was alweer ettelijke centimeters meer dan in de twee eeuwen daarvoor.

Een genetische verandering als oorzaak kan gevoeglijk worden uitgesloten. Uiteraard wordt lengte wel mede bepaald door erfelijke factoren, maar in dit geval zou je hoogstens kunnen zeggen dat een genetische dispositie voor grote lengte dankzij gunstige omstandigheden zijn kans heeft gekregen om tot expressie te komen. Dat is ook ongeveer het enige wat er met zekerheid over kan worden gezegd, want tot nu toe is niet bekend welke specifieke omstandigheden nu zo gunstig zijn. Bovendien verklaart dat nog niet waarom die omstandigheden dan in Nederland kennelijk nog weer gunstiger zijn dan in de andere Westerse landen. Amerikaanse collega's, voor het eerst op bezoek in Nederland, zagen het meteen. Het komt van al dat rijden op de fiets, tegen de wind in, en van het drinken van teveel melk. Een Japanse collega zag in de lengte van de Nederlanders het bewijs dat wij al eeuwen lang ons best moeten doen het hoofd boven water te houden. Evolutionair lijken wij dan dus op de giraffe.

Hans de Beer levert met zijn proefschrift een bijdrage aan de historische antropometrie. Met name door de systematische vergelijking in de tijd van veranderingen in lengte ( of gewicht) van een bevolking wil deze kleine wetenschap een beter beeld krijgen van de relatie tussen voeding, levensomstandigheden, gezondheid en ook arbeidskracht. De ruggegraat van de historische antropometrie wordt gevormd door de keuringsrapporten voor de militaire dienst, die in de meeste Westerse landen gedurende meer dan anderhalve eeuw voor de hele of een groot deel van de mannelijke bevolking bijgehouden zijn. Bij een zo perfecte registratie van zo grote omvang kunnen ook relatief kleine veranderingen al veelbetekenend zijn. Zo kan De Beer laten zien dat forse stijgingen van de graanprijzen in de eerste helft van de negentiende eeuw enkele jaren later hun weerspiegeling vinden in een hoger aantal afkeuringen voor de dienst wegens een te geringe lichaamslengte (mannen kleiner dan 1.57 meter werden als `ondermaats' beschouwd, in de periode 1820-1860 gold dat voor 14-16% van de dienstplichtigen).

Uiteraard is er een verband tussen lichaamsgroei en voeding. Tegenwoordig wordt daar meestal mee bedoeld dat het verstandig is om minder, minder vet, minder cholesterolrijk en soms zelfs minder eiwitrijk te eten. In de negentiende eeuw, zeker in de eerste helft, was er voor de meeste mensen te weinig te eten en dat weinige was meestal nog zeer eenzijdig van samenstelling en laag van kwaliteit. Aardappelen en roggebrood, een beetje vet en wat peulvruchten, dat was het voor de meeste mensen die niet tot de burgerstand behoorden. Uit de statistieken en calorieberekeningen van De Beer walmt de armoede en ellende je op alle terreinen van het leven tegemoet. Zelfs aan het begin van de twintigste eeuw blijken mijnwerkers en textiel-en metaalarbeiders op de vraag wat ze het liefste zouden willen als ze geld genoeg zouden hebben nog te moeten antwoorden `genoeg te eten' of `goede kleren'. Velen zijn zich ook bewust van het feit, dat ze voor hun loon afhankelijk zijn van de inzet van hun fysieke kracht, maar toch nooit genoeg kunnen verdienen om hun enige kapitaal, een gezond lichaam, in stand te houden.

Het simpele evolutiehistorische idee dat mensen in de loop van de geschiedenis steeds langer en steeds gezonder zijn geworden, klopt maar zeer ten dele. In de middeleeuwen was men er in vele perioden beter aan toe dan daarna en dat is ook terug te zien in de lichaamslengte, die toen groter was dan zelfs in de gouden eeuw. Veel mensen leefden toen in erbarmelijke omstandigheden in te snel groeiende steden en in de achttiende eeuw maakte naast de toenemende armoede ook de geleidelijke achteruitgang van de kwaliteit van het drinkwater de situatie er niet beter op. Dat probleem wordt eigenlijk pas ruim een eeuw later opgelost, als vuil en schoon water definitief van elkaar gescheiden worden, de huisvesting wat beter wordt en de lonen omhoog gaan. Meer welvaart en meer hygiëne zijn voor de volksgezondheid en de lichaamslengte van meer betekenis geweest dan bijvoorbeeld betere voeding.

In een aantal casestudies laat Hans de Beer zien hoe in de negentiende eeuw beroepskeuze al vroeg mede plaatsvond op grond van een inschatting van lichaamskracht. Kleine en niet zo sterke jongens werden bijvoorbeeld sigarenmaker (een mede door het stof zeer ongezond beroep), de stevig gebouwden eerder smid of bouwvakker. Interessant is dat arbeidsprestatie en voeding boven een zeker basisniveau geen sterk verband met elkaar meer lijken te vertonen. Ik moet overigens wel zeggen dat het soms moeilijk is de redeneringen op deze punten te volgen en dat bovendien het historisch beschikbare materiaal ons weinig vertelt over de gezondheidstoestand en de levensverwachting van die hardwerkende mannen, die vaak ook kolossale eters blijken te zijn. Pikant detail: wanneer het menu als regel weinig vet (en dus ook weinig vlees) blijkt te bevatten, neemt de eetlust kwantitatief toe. Vet zorgt voor een sneller gevoel van verzadiging. Wat in alle zeer gedetailleerde beschouwingen en berekeningen volledig ontbreekt, is het alcoholgebruik. De grote kwaal van de negentiende eeuw is niet onderzocht op zijn betekenis voor lichaamsgroei, gezondheid en arbeidsprestatie.

In de twintigste eeuw begint de Nederlander aan een groeispurt die nog steeds doorgaat. Hans de Beer wijdt daar maar enkele bladzijden aan. Het lukt hem uiteindelijk niet om te verklaren waarom het in Nederland zo hard gaat met de lichaamslengte. Uit zijn historische analyses bleek al dat het dieet op zichzelf geen goede verklaring biedt. Bovendien onderscheidt ons dat niet van de andere landen in NoordWest Europa en Amerika. Ook wat betreft hygiëne en ziektepreventie of inkomensstructuur wijken wij niet bijzonder af in positieve zin. Kortom, de antropometrie neemt het verschijnsel wel waar en kan bepaalde factoren als beslissende oorzaak uitsluiten, maar de beslissende determinant is toch nog niet gevonden. Als die er al is natuurlijk, en als het er één is.

    • Paul Schnabel