Kwade tongen

Met name mensen met kronen en bruggen moeten oppassen met tongversierselen.

In de fraaie catalogus van de recente Rotterdamse tentoonstelling over het werk van Jheronimus Bosch is een foto opgenomen van het schilderij de Kruisdraging, dat in Gent is te bezichtigen. Bij nauwkeurige observatie van enkele van de afgrijselijke tronies ziet men soms ringetjes, met daaraan een kleine ketting, door hun wangen en kin steken. Piercings zou men tegenwoordig zeggen. Kennelijk waren deze versieringen dus al in de Middeleeuwen bekend. Heden ten dage zijn dergelijke ornamentjes bij velen populair en kan elk, uitstekend, lichaamsdeel of orgaantje worden gebruikt om het te versieren met bijvoorbeeld een haltertje, met sierknopjes of een boogje.

Tandartsen zien deze piercings ook op de tong. Bij navraag blijkt dat hun patiënten dikwijls een tatoeagestudio hebben bezocht alwaar hun uitgestoken tong, zonder verdoving, werd geperforeerd met een naald die dezelfde diameter had als het later aan te brengen ornamentje. Vervolgens werd in de tong een tijdelijke voorziening aangebracht die de persoon ongeveer 3-5 weken moet dragen. Daarna bracht men het permanente versiersel aan dat constant moet worden gedragen om te voorkomen dat het gemaakte gat in de tong spontaan zal sluiten.

Bij doorvragen blijkt dat het de patiënten niet altijd duidelijk is in hoeverre er in deze studio's met steriele instrumenten wordt gewerkt. De indruk bestaat dat weinigen zich er van bewust lijken te zijn dat zij met deze ingrepen gevaar lopen op het krijgen van infecties in de mond of andere nare verschijnselen.

In een vorig jaar verschenen publicatie (Endodontics and Dental Traumatology, 16(5) 2000) doen drie Belgische auteurs verslag van een klein onderzoek waarin zij vijftien patiënten met tongpiercings hebben onderzocht die, met of zonder acute symptomen, hun praktijken bezochten. De personen uit de onderzochte groep droegen de tongornamentjes gemiddeld meer dan 13 maanden. In de inleiding van het artikel wordt, aan de hand van een overzicht van de overigens spaarzame literatuur op dit gebied, een inventarisering gegeven van complicaties die kunnen optreden bij tongpiercing. Men denke onder meer aan de overdracht van infecties zoals hepatitis B of HIV, het optreden van een gelokaliseerd tongabces, de uitbreiding van infecties die aanleiding kunnen geven van zwellingen in de keel of het ontstaan van allergie voor de metalen waarvan de piercing is vervaardigd. De door de patiënten meest genoemde complicaties waren pijn en zwelling van de tong. Bij enkelen waren langdurige bloedingen ontstaan. In twaalf van de vijftien gevallen waren de tanden of kiezen beschadigd, soms zodanig dat complete kronen waren afgebroken.

Mensen met uitgebreid kroon- en brugwerk in de mond, met name als het porseleinen restauraties betreft, vormen volgens de auteurs een risicogroep als zij besluiten tongpiercings te gaan dragen. Blijkbaar vergroot de aanwezigheid van een vreemd lichaam op de tong dat men verkeerd gaat dichtbijten, met alle nare gevolgen van dien. Ook rapporteerden enkelen dat zij last hadden van een vergrote speekselvloed, van beschadigingen op de binnenkant van de wangen, van problemen met kauwen, spreken en doorslikken van het voedsel. Eén van de patiënten had zijn tongversiersel ingeslikt.

Uit de Belgische publicatie valt niet op te maken of de auteurs de vijftien patiënten van te voren hebben onderzocht alvorens deze de tongpiercings hadden laten plaatsen. Het is daarom niet duidelijk of er al eerdere beschadigingen en ontstekingen aan de gebitten, het tandvlees en de tong in de monden aanwezig waren. Met het nieuwe onderzoek en de eerder gepubliceerde casuïstiek lijken er echter voldoende argumenten te zijn om het dragen van dergelijke tongornamentjes af te raden.

Van M.A.J. Eijkman verscheen onlangs `Krappe kaken, en andere artikelen over tandheelkunde uit NRC Handelsblad in de periode 1990-2000', 2001, ing., 152 p., ISBN 90 313 3677 7, ƒ39,90 (18,11 euro).

    • M.A.J. Eijkman