`Het geheugen is geen archief'

Het geheugen wordt goed onderzocht, de herinnering amper. Maar daar komt verandering in. Zegt Douwe Draaisma.

Geuren die plots sterke herinneringen oproepen, déja vu's, de flits waarin tijdens een val of een bijna-verdrinking je leven aan je voorbij gaat, de snelheid waarmee de tijd lijkt te verglijden, de oudste herinneringen en waarom je uit je puberteit zoveel meer herinneringen meedraagt dan uit latere levensperiodes. Het psychologisch onderzoek naar het geheugen is al honderd jaar een echte vakwetenschap. In die sterk experimenteel gerichte tak van psychologie worden de algemene eigenschappen van het geheugen goed onderzocht, maar herinneringen krijgen weinig wetenschappelijke aandacht. Maar juist in die dagelijks aspecten van het geheugen zijn mensen het meest geïnteresseerd, zo vertelt Douwe Draaisma in Café Overstag in Groningen. ``Wat leken en vakwetenschappers over het geheugen denken is ver uit elkaar geraakt. Een leek zal bij zichzelf niet gemakkelijk denken: `hoe zal het zitten met de temporele limieten van semantische informatie in het korte-termijngeheugen?' Een lekenvraag is: bestaat een fotografisch geheugen?''

Draaisma doceert aan de Rijksuniversiteit Groningen geschiedenis van de psychologie. Onlangs verscheen van hem het boek Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Over het autobiografische geheugen. Daarin behandelt hij in zestien essays veel van die `vergeten' vragen over de herinnering, aan de hand van oud en nieuw onderzoek, maar ook puttend uit eigen ervaringen en verhalen van Marcel Proust en Jorge Borges. Het meeste geheugenonderzoek gaat over de basismechanismes, over de uitgangspunten: hoe lang kan iemand een zinloze letterreeks onthouden? Werkt het geheugen van een vrouw bij het kaartlezen anders dan bij een man? En hoe groot is het effect van de omgeving op de herinnering van een zinloze reeks? En zelfs bij het onderzoek van jeugdherinneringen worden de herinneringen meestal alleen maar geteld, naar de inhoud van de herinneringen wordt amper gekeken.

Het had anders kunnen zijn. Aan het begin van de psychologische wetenschap, eind 19de eeuw, bestond er wél veel aandacht voor het persoonlijk geheugen. Maar de experimentele psychologie, waar de `input' zo streng mogelijk moet worden gecontroleerd, kon weinig met herinneringen waarvan niet gecontroleerd kan worden hoe ze zijn ontstaan. Draaisma begint zijn boek dan ook met de tegenstelling tussen het geheugenonderzoek van de Brit Francis Galton (1822-1911) en de Duitser Hermann Ebbinghaus (1850-1909). Galton stelde rond 1879 een lijst op van 75 woorden (zoals `rijtuig', `abdij', `middag') en noteerde per woord zijn associaties, waarbij hij nauwkeurig mat hoe lang het duurde voor de associaties opkwamen. Nadat hij verspreid over drie maanden de lijst vier keer had afgewerkt, had hij in totaal 505 associaties, ongeveer vijftig per minuut. Zijn aanvankelijke bewondering voor de variatie in zijn eerste proef hield geen stand, het totaal aantal verschillende associaties was slechts 289. Galton was ook verrast hoeveel van zijn associaties teruggingen naar zijn jeugd: 39 procent. Slechts 15 procent betrof recente herinneringen. En de oudste herinneringen waren goed voor vrijwel alle herhalingen. Sommigen kwamen wel drie keer terug.

Galtons experiment kreeg nooit een vervolg. Wel toekomst hadden de experimenten van Ebbinghaus, die toevallig in dezelfde tijd iedere dag zinloze lettergrepen uit het hoofd leerde en later keek hoe vaak hij die reeksen moest herhalen om ze weer uit het hoofd te kennen. De eerste twintig minuten vergeet je het meest, zo stelde hij vast, na een uur is het verval al minder en een dag later is deze `vergeetcurve van Ebbinghaus' bijna een vlakke lijn. Reeksen tot zeven lettergrepen leerde Ebbinghaus in één keer, daarboven liep het aantal benodigde herhalingen snel op. Deze onevenredige toename heet nu de `de wet van Ebbinghaus', zo schrijft Draaisma.

Ebbinghaus' ontdekkingen leidden tot een hausse aan fysiologisch geheugenonderzoek, met alle mogelijke experimenteertoestellen, maar altijd met die `prikkel zonder betekenis': bif kad pod tit etcetera. Voordien bestond er nog een stroming waarin men zich niet beperkte tot zuiver experimenteel onderzoek, vertelt Draaisma. ``Dat konden ook enquêtes zijn, gesprekken, introspectieve belevenissen of wat men in romans tegenkwam. Die tijd is dus eigenlijk interessanter.'' Pas in de jaren zeventig is er meer belangstelling voor de rol van het geheugen in het dagelijks leven, met onderzoekers als de Amerikaanse Elizabeth Loftus, de Brit Martin Conway en de Nederlander Willem Wagenaar. ``Het verschil is wel dat veel onderzoek nu gericht is op de betrouwbaarheid van herinneringen en dat is toch nog typisch een vraag uit het experimentele domein. Zo'n recent onderzoek waaruit blijkt dat Chinezen veel minder persoonlijke herinneringen aan hun jeugd hebben dan Amerikanen, is nog altijd echt een uitzondering. Maar de aandacht voor Everyday Memory, het alledaagse geheugen, is gelukkig in opkomst.''

De omgang met het menselijk geheugen en de plaats ervan in het dagelijks leven wordt sterk beïnvloed door cultuur en persoonlijke omstandigheden. Want hoe test je of een geur inderdaad sterke jeugdherinneringen kan oproepen? Bij Proust was het een in lindebloesemthee gedoopte madeleine (een soort koekje) die plotseling vier pagina's Temps perdu opriep, een hoogst individuele geur en hoogst individuele herinneringen. Ook moderne technische ontwikkelingen hebben grote invloed. Draaisma: ``Wij kunnen nu twijfelen of we ons nu het gezicht van onze kinderen toen ze klein waren herinneren, of dat we ons de foto's herinneren. Dankzij de fotografie, en nu ook video, beschikken we over een visuele autobiografie die vroeger alleen voor de zeer welgestelden was weggelegd, en dan nog fragmentarisch via geschilderde portretten.''

Worden de herinneringen zèlf ook beïnvloed door die moderne ontwikkelingen? De Grieken vergeleken hun geheugen met een wastablet waarop iets geschreven werd, wij hebben nu de metafoor van de fotografie en de film. Maakt dat verschil voor het soort herinneringen?

Draaisma: ``Het maakt uit. Niet in de werking van het geheugen, de fysiologie is natuurlijk hetzelfde. Maar de omgang met het geheugen is door de techniek veranderd. Je vertrouwt op wat je fotografeert en dat hoef je dus niet meer te onthouden: het staat op de foto. Maar er is ook een omslag gekomen. Als een middeleeuwer iets moest onthouden, dan schreef hij het op, om het zó te onthouden. Het moest in zijn geheugen. Maar wij schrijven het op en kunnen het dan gerust vergeten.

``Ook de beelden waarmee we spreken over ons geheugen zijn veranderd. Uit bijna alle tijden zijn verhalen bekend van mensen die, op het punt van verdrinken, een snelle serie beelden uit hun leven zien. Wij zeggen: ik zag mijn leven als een film aan mij voorbij trekken. Een van mijn mooiste vondsten vind ik daarom het verhaal van Francis Beaufort (1774-1857), de latere admiraal en ontwerper van de schaal voor windkracht. Als jong matroos verdronk hij bijna en op het cruciale punt in zijn beschrijving vergelijkt hij de beelden die hij zag met een panorama, waar je alles helemaal rondom je ziet. Zo'n panoramaschilderij, in Nederland bekend van Panorama Mesdag, was toen nog maar net in zwang. Kennelijk ervoer Beaufort hetzelfde als latere mensen die hun leven als een film aan zich voorbij zien trekken, maar hij koos dit statische beeld, waarin je in één oogopslag bijna alles ziet. En dat beeld bepaalt dan mede de eigenschappen van de ervaring, ook al is duidelijk dat het de vertaling is die tekort schiet.''

Hoe ouder je wordt hoe sneller de tijd lijkt te gaan, en dat komt omdat je herinneringen steeds verder gecategoriseerd worden. Al die unieke vakanties in Griekenland gaan steeds meer op elkaar lijken, maar je houdt er wel een scherp gevoel aan over of iets te maken heeft met Griekenland. Onthoud je alleen een soort essentie, waarbij de herinnering zelf vervaagt?

``Ja, je zou kunnen zeggen dat de mens geen rechtvaardig of gehoorzaam geheugen heeft: je onthoudt niet alle individuele dingen. Wat je allemaal zelf zou willen opslaan in je geheugen, was in de evolutie van de mensheid misschien helemaal niet nuttig en dus lukt het ook niet zo gemakkelijk. Het omgekeerde geldt ook. Een sterk voorbeeld daarvan is dat je het verband tussen geur, smaak, uiterlijk en eetbaarheid van voedsel in één keer leert, een one trial learning. Daarin excelleert ons geheugen.''

Waarom zouden we dan op latere leeftijd überhaupt nog zoveel onthouden uit onze jeugd, zoals Galton ontdekte?

``Er blijken rond 1900 al allerlei enquêtes te zijn gedaan naar de vroegste herinneringen en anders dan tegenwoordig geven die enquêtes ook een indruk van wat die herinneringen dan zijn, niet alleen op welke leeftijd ze beginnen. Dan blijken er ontzettend veel ongelukjes bij te zitten, verbrandingen, een val van de trap, een beet, voet tussen de spaken. Dat wordt natuurlijk goed onthouden omdat het niet iets is waar je opnieuw in terecht wilt komen. En daarna vormt zich al snel een routine. Bij kinderen ook. Dat merk je al als je een paar keer met ze naar de dierentuin bent geweest, dan weten ze ook niet meer of ze iets de tweede keer of de vierde keer hebben gezien.''

Dat is dan wel pech voor het moderne levensgevoel, want daarin ligt vaak de nadruk op de unieke ervaring. Dat strookt toch niet met de werking van ons geheugen?

``Tja. Het was al een advies van Jean Marie Guyau (1854-1888). Als je een lang leven wilt leiden vol herinneringen: ga op reis. Maar Thomas Mann schreef dat zelfs op reis gaan een routine en sleur wordt, waardoor het leven weer zijn oude snelle loop krijgt. Het is een verloren strijd, dat geloof ik ook wel. Je geheugen is niet zo goed in het bewaren van oude edities, het is niet bedoeld als archief.''

En over het geheugen als betrouwbaar archief vol herinneringen wordt nu juist een felle strijd gevoerd, in verband met de `hervonden' incestherinneringen.

``Ja, en dat is één van de belangrijkste verschillen tussen de opvattingen van leken en die van geheugenpsychologen met grote gevolgen. In de rechtszaal zeggen therapeuten dat het inderdaad kan, dat na dertig jaar een vergeten herinnering terugkomt na therapie. Maar de geheugenpsycholoog zegt dat trauma's juist wel heel goed bewaard blijven. Dat soort `ongelukken' vergeet je juist niet. Uit een recent onderzoek van Crombach en Van Koppen blijkt dat de rechters en officieren bij zo'n meningsconflict tussen experts meestal toch blijven geloven wat ze al dachten, namelijk dat het wèl kan. Al zouden ze het van zichzelf juist niet geloven, dat is een vreemde inconsistentie.''

Het is toch niet zo gek om dat te denken? Iedereen kent wel de ervaring dat hij bepaalde periodes in zijn leven plotseling heel anders beoordeelt. Dan krijg je soms een totaal nieuw verhaal.

``Ja, maar dan staan de feiten niet ter discussie. Dan gaat het om het perspectief. Het is niet zo dat die feiten dertig jaar lang waren vergeten. Uit al het onderzoek waarbij vaststaat dat kinderen werkelijk een trauma hebben beleefd (gered uit een brandend huis, een auto-ongeluk overleefd, bij een verkrachting aanwezig, een sterfgeval, overstroming) blijkt dat het geheugen zich heel anders gedraagt, dat het juist heel moeilijk is om het uit je geheugen te bannen. Ik denk dat veel mensen hun geheugen zien als een laag waarover steeds nieuwe lagen komen, in een soort freudiaans-archeologische metafoor dus. En dat hoe dieper je terug gaat in die lagen, hoe meer je terug kunt vinden. Er zijn bevindingen in de geheugenpsychologie die dat model in de hand werken. Bij bepaalde vormen van geheugenverlies gaat het meest recente er het eerst aan, hoe verder je terug gaat hoe beter het bewaard blijft. Het is moeilijk om dat niet als lagen te zien.''

U schrijft uitvoerig over het geheugenfenomeen Solomon Sherashevsky, die door de Russische psychiater Aleksandr Luria is onderzocht. Die man geeft toch de indruk dat in principe een vrijwel oneindig geheugen mogelijk is. Of niet?

``Dat is een lastig probleem. Sommige herinneringen gaan inderdaad een heel leven mee. Woordenschatten die vijftig jaar niet worden aangesproken blijken plotseling weer beschikbaar. Aan de andere kant is het fysiologisch niet erg waarschijnlijk dat werkelijk alles je hele leven blijft opgeslagen. Er sterven per dag tienduizenden hersencellen af en dat maakt verval aannemelijk. Sherashevsky was een bijzonder geval omdat hij ook synesthetisch was, waarbij een woord ook als een geur, klank of kleur werd opgeslagen. Dat is in feite een defect. Hij kon daardoor totaal niet abstraheren. Beeldspraak begreep hij niet, hij kon niet loskomen van het beeld. Hij kwam niet bij de onderliggende betekenis.''