Held op de dansvloer

Het feest is volop aan de gang, voor mij gaat het nu pas echt beginnen. Eindelijk heb ik mijn armen om haar weten te slaan! De band speelt de sterren van de hemel, de temperatuur op de dansvloer nadert het kookpunt. Ik laat haar even los en maak een pirouette, zij vliegt weg, in tegenovergestelde richting. Precies op het juiste moment draaien we weer in elkaar: een orgie van wervelende lichamen volgt.

Er is een kaper op de kust. Met een dodelijk gebaar wimpel ik hem af. Dan voel ik haar hand, als een krab bij laagwater, over mijn rug kruipen, lager en lager. Ze neemt de mijne, legt die op haar billen, haar goddelijke kont. Haar ogen gesloten nu, laat ze zich door mij leiden, in vervoering. De rest van de wereld is opgehouden te bestaan. Ik fluister zoete woordjes in haar oorschelp. Haar antwoord welt op, van diep uit haar keel. De band speelt weer een snel nummer. Ik hoor het niet, het kan me niet schelen wat die kutband speelt, als die maar speelt. Het is voorbij, het was het laatste lied. Het licht gaat op. Nu moet ze weg. Rijdt met haar collega mee, die trut die al uren staat te gebaren dat ze naar huis toe wil. Dan is ze weg. Ook ik verdwijn, als verdoofd, in de nacht. Thuis wacht mij de kater. Ik ben nog vol, van hààr. Bel haar op. Ze is er nog niet. Ook haar antwoordapparaat is nu vol, van mij. Besef dat dàt niet genoeg is. Bel haar weer, en wéér. Dan klinkt een barse mannenstem. Die krijgt geen kans, zich uit te spreken. Op de klok is 't ver na tweeën. Dan gaat de telefoon. Die klinkt als een fruitautomaat, die een miljoen uitkeert, en nog veel méér. Het is hààr stem! Ik zie weer haar ogen, die helderblauwe meren, die perziken wangen, haar kersenrode mond. Daar rollen, als donderslagen, woedende woorden uit. Ze spatten uiteen, als rotte tomaten, in mijn hoofd. Wee mij, ongelukkige, aan de schandpaal genageld. Ze gooit de hoorn op de haak, dan is het stil, dodelijk stil. De kater komt weer opzetten, knorrend kopjesgevend.