Harry Potter zet niet aan tot denken

Jong en oud verslinden Harry Potter. Het is een prachtboek, maar het zet niet tot denken aan. Daarvoor moet men bij Tolkien zijn. Hij is de man die de fantasie heeft ontdekt als medium voor morele gedachte-experimenten, vindt Brian M. Carney.

De film Harry Potter en de steen der wijzen heeft bij de première in Amerika en Groot-Brittannië het afgelopen weekeinde een recordpubliek getrokken. Deze week kwam ook op het Europese vasteland het publiek in drommen opzetten. Aan weerszijden van de Atlantische Oceaan kwamen grote aantallen kinderen – en ook wel volwassenen – in tovenaarsmantels en met heksenmutsen opdagen om Harry vliegend op een bezemsteel het kwaad te zien bestrijden.

Over goed en kwaad heeft de mens zich al eeuwen het hoofd gebroken. Al zeker sinds Plato is dit een van de hoofdthema's van de moraalfilosofie. In de Republiek betoogt een van Socrates' gesprekspartners nadrukkelijk dat `gerechtigheid' alleen maar is wat de machthebbers goed uitkomt, en dat de gelukkigste mens de grootste slechterik zal wezen.

Dit zijn diepe wateren, en het is van een schrijfster van wat toch eigenlijk maar kinderboeken zijn, misschien wat veel gevraagd om zich te verdiepen in een kwestie die al meer dan tweeduizend jaar verwarring heeft gesticht. Toch staat ook J.K. Rowling als schrijfster in een traditie, wat zij gezien haar overvloedig gebruik van traditionele motieven heel goed beseft. Die traditie is begonnen met haar landgenoot John Ronald Reuel Tolkien, wiens meesterlijke trilogie In de ban van de ring toevallig volgende maand op het witte doek verschijnt.

Zo zullen Harry Potter en Frodo Balings, Tolkiens hoofdpersoon, binnenkort niet alleen het kwaad bestrijden, maar ook met elkaar wedijveren om de gunst van een generatie. Als er gerechtigheid bestaat, zou Frodo moeten zegevieren.

En niet alleen omdat Tolkiens boek beter is, of omdat Tolkien de eerste was. Nee, de reden waarom Tolkien de lauwerkrans verdient is dat hij het literaire genre van de fantasie heeft ontdekt als medium voor morele gedachte-experimenten.

Begrijp mij goed: Harry Potter is een prachtboek, het is onderhoudend en rijk aan fantasie en droge humor. Maar één ding doet Harry Potter niet: het zet niet tot denken aan. Het probleem met Potter – en misschien het gevaar voor zijn jonge lezers – is niet dat de wereld van Rowling fantastisch of bizar is, maar eerder dat die wereld, moreel gezien. zo volstrekt conventioneel is.

`Harry Potter en de steen der wijzen' is een klassieke strijd tussen Goed en Kwaad. Harry is uiteraard het goede, en de tovenaar Voldemort, die Harry's ouders heeft vermoord, het kwaad. Waarom is Voldemort slecht? Nou, horen wij, omdat hij ,,het wil overnemen'', en omdat hij mensen doodt. Harry is goed omdat hij aardig is, en je voelt vanzelf met hem mee, omdat Voldemort zijn ouders heeft vermoord. Dat is allemaal duidelijk, en er is niet veel tegen. Maar ook weinig vóór.

Tolkien graaft dieper, en gaat daarbij te rade bij de filosofen zelf. Toen Socrates wilde onderzoeken wie gelukkiger was, de rechtvaardige of de onrechtvaardige, pakte hij dat vraagstuk aan door middel van een mythe waarin een man een ring ontdekt die hem onzichtbaar maakt, waardoor hij naar believen straffeloos de vreselijkste misdaden kan begaan.

Tolkien neemt – na al die tijd – Socrates' uitdaging aan, doordat hij probeert te laten zien dat wie de ring gebruikt slechter af is dan wie hem zou vernietigen. Daarbij is hij niet erg optimistisch over het vermogen van de mens om weerstand te bieden aan de verlokking van de absolute macht. Het probleem hoe weerstand te bieden aan de verleiding om verkeerde middelen te gebruiken, zelfs met in wezen goede bedoelingen, vormt de kern van Tolkiens boek.

Vergelijk dat eens met Rowlings nogal vrijpostige omgang met een ander legendarisch voorwerp, de steen der wijzen. De alchemisten meenden dat deze steen lood zou kunnen veranderen in goud, met het eeuwige leven op de koop toe. De vondst van Harry Potter is dat zo'n steen inderdaad is gemaakt, en dat de bad guy erop jaagt.

Deze uitgangssituatie is Tolkien waardig en sluit trouwens op belangrijke punten bij hem aan. Maar in Rowlings verhaal valt niets te bespeuren van de morele dilemma's of inzichten die het bestaan van de steen als vanzelf oproept. Die steen is alleen maar een ding, waarvan de lezer simpelweg accepteert dat beide partijen het willen hebben. Aan de mogelijkheden die de steen biedt wordt weinig aandacht geschonken, en uit niets blijkt dat Harry er belangstelling voor toont of in de verleiding komt hem te gebruiken. Hij wil de steen alleen maar uit handen houden van Voldemort. Wanneer dat is gelukt, verdwijnt het ding zomaar uit het verhaal.

Zo worden grote, belangrijke morele thema's als sterfelijkheid, rijkdom en macht wel aangeroerd, maar nooit werkelijk behandeld. In de wereld van Tolkien daarentegen is de verleiding van het kwaad iets waaraan vrijwel alle personages worden blootgesteld. De strekking van Tolkiens verhaal – waarover natuurlijk te twisten valt – is dat bedoelingen wel meetellen, maar dat wát wij doen moreel gezien veel belangrijker is dan waaróm wij het doen. Tolkiens verhaal is dus bedoeld als argument tegen het idee dat goede bedoelingen ooit het gebruik van kwade middelen zouden kunnen rechtvaardigen.

In zijn befaamde voorwoord bij de tweede druk heeft Tolkien – die `In de ban van de ring' tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven en kort erna gepubliceerd – duidelijk gemaakt dat hij het werk bedoelde als een boodschap aan zijn tijdgenoten. Toen de trilogie verscheen, zagen velen in Tolkiens beschrijving van de strijd van de goeden uit het Westen tegen de agressieve slechten uit het Oosten een parabel over de Tweede Wereldoorlog. Met die vergelijking maakte Tolkien korte metten: hij maakte duidelijk dat de geallieerden, die het in Europa met Stalin op een akkoordje hadden gegooid en die om een einde aan de oorlog te maken de atoombom hadden ingezet tegen Japan, waren tekortgeschoten in vergelijking met de maatstaven van zíjn fictieve geallieerden. In onze wereld, schreef Tolkien tot besluit over de kleine, aardse schepsels die in zijn boek een hoofdrol spelen, ,,zouden de hobbits niet eens als slaven hebben overleefd.''

De oorlog herinnert ons er automatisch aan dat Tolkien in een wel zeer ongewisse tijd schreef, tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog, terwijl Rowlings werk, waaraan zij is begonnen toen zij in de jaren negentig in Groot-Brittannië van de bijstand leefde, een afspiegeling vormt van alle gemakken en de schijnbare veiligheid van de wereld van vóór 11 september.

Maar de tijden veranderen, en terwijl het een poosje geleden niet strikt nodig leek het kwaad onder ogen te zien en te doorgronden, ligt dat nu heel anders. Wij kunnen het ons niet meer permitteren om luchtig te doen over het kwaad. Zoals het westen in de jaren dertig van de vorige eeuw werd verrast door de opkomst van het nationaal-socialisme en het stalinisme, zo moeten wij nu weer onze morele zelfgenoegzaamheid afschudden.

Dat lijkt misschien wat veel gevraagd van een kinderboek, maar morele wereldvreemdheid in de literatuur is méér dan alleen maar een verzuim: door voedsel te geven aan simplistische, onhoudbare opvattingen over goed en kwaad, stimuleert ze moreel cynisme in de gevallen waarin de wereld niet past in de morele hokjes `stout' en `zoet'. Nu wij op een tot dusverre ondenkbaar geachte manier geconfronteerd zijn met een groot kwaad, moeten wij dringend proberen te doorgronden wat de mens tot het kwaad drijft. Tolkien, die zonder twijfel als schrijver een man van zijn tijd was, is ook voor onze tijd de beste keus.

Brian M. Carney is redacteur van The Wall Street Journal Europe.

© The Wall Street Journal Europe