Gezonde concurrentie is goed voor hoger onderwijs

De Tweede Kamer bespreekt de komende maanden wetsvoorstellen op het gebied van het hoger onderwijs die moeten leiden tot deregulering, meer vrijheid en een grotere internationale oriëntatie. Het lijkt er derhalve op dat minister Hermans zijn karwei kan afmaken. `Lijkt', want in het zicht van de haven steken de behoudzucht van het protectionisme en de behoefte aan regel- en bemoeizucht opnieuw de kop op. En opnieuw is er sprake van eenzijdig aanbodsdenken.

Het `Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000' biedt instellingen voor hoger onderwijs de mogelijkheid met nieuwe opleidingen snel in te spelen op ontwikkelingen die zich in de samenleving (en dus `de markt') voordoen. Ook voor het aanbieden van onderwijs in andere plaatsen dan de oorspronkelijke vestigingsplaats van de hbo-instelling wil de minister meer bewegingsvrijheid bieden.

Nu worden deze verworven vrijheden door nota bene enkele onderwijsinstellingen ter discussie gesteld. Ontwikkelen hbo-instellingen met publieke gelden een overcompleet onderwijsaanbod? Of nemen ze als volwassen partners hun verantwoordelijkheid voor een kwalitatief hoogstaand en toegankelijk onderwijsaanbod?

Dat laatste is het geval. Hogescholen en universiteiten zijn en blijven openbare instellingen of bijzondere rechtspersonen zonder winstoogmerk. Zij zijn voor een belangrijk deel afhankelijk van overheidsbekostiging, rechtstreeks of via de student. Ook in de beoogde nieuwe ordening van het hoger onderwijs schept dat verplichtingen op het punt van kwaliteit en toegankelijkheid.

Naar verwachting zal nog meer dan nu al het geval is, kwaliteit een profileringmogelijkheid worden: de prikkel van kwaliteit als gevolg van gezonde concurrentie. Die kwaliteit wordt in het voorgestelde stelsel veiliggesteld.

De toegankelijkheid wordt allereerst gewaarborgd door betaalbare prijzen. De minister blijft onveranderd de kostprijs van opleidingen vaststellen. Zolang hij ook voorziet in een vangnet voor studenten die zelf die kostprijs niet kunnen voldoen is daar geen probleem te verwachten. Uit onderzoek blijkt dat studenten een opleiding in de eigen regio prefereren. Een goed verspreid regionaal onderwijsaanbod is niet alleen voor de studenten van belang. Zo hebben werkgevers behoefte aan voldoende hoog gekwalificeerde arbeidskrachten in de eigen regio.

Toegankelijkheid hangt dus ook samen met de spreiding van het onderwijsaanbod. De laatste twee jaar heeft het hoger beroepsonderwijs geëxperimenteerd met een grotere zelfregie in het onderwijsaanbod. Er was sprake van vrijheid in gebondenheid. Hogescholen konden met een nieuw aanbod beginnen, maar alleen in de sectoren waarin ze al actief waren en niet dan nadat ze daarover met andere hogescholen hadden overlegd.

Enkele grote hogescholen met een breed aanbod beweren nu dat de liberalisering doorschiet. Wat echter niet verteld wordt, is dat deze hogescholen veelal in hun monopoliepositie worden aangetast. Het valt te prijzen dat Hermans met de vergroting van de autonomie en zelfregie juist concurrentie toestaat. Gezonde concurrentie leidt tot verhoging van de kwaliteit en efficiency. En er is ruimte voor verschil in profilering.

Enkele fracties in de Tweede Kamer lijken gevoelig voor het protectionistische gedrag van sommige grote hogescholen. Vanzelfsprekend mag de Kamer pleiten voor een efficiënte besteding van overheidsmiddelen. Maar in het hbo is dit een gotspe. Een stijging van de studentenaantallen en gelijkblijvende budgetten hebben in de afgelopen zes jaar geleid tot een daling van de bekostiging per student van 5 procent.

Waar juist de doorlopende leerweg van vmbo, mbo naar hbo wenselijk is, is hoger onderwijs dicht bij huis een noodzakelijke voorwaarde. Niet voor niets bepleiten middelgrote steden de vestiging van hbo in hun stad. De achterstandsgroepen in deze steden zijn gebaat bij een verhoging van het opleidingenniveau. Het ruimhartige nevenvestigingenbeleid van Hermans zal dit verder bevorderen. Vanuit verschillende locaties een en dezelfde opleiding aanbieden is overigens ook zeer efficiënt.

Hermans heeft in de nieuwe accreditatieprocedure waarborgen ingebouwd, waardoor instellingen gedwongen worden zich verantwoord op te stellen. En mocht een instelling onverhoopt onverantwoord handelen, dat kan de minister nog steeds de bekostiging van de nieuwe opleiding onthouden.

Hans Blankert is voormalig voorzitter van VNO-NCW en voorzitter van de Raad van Toezicht van de Ichthus Hogeschool/Hogeschool Delft. Jan de Vries is directielid bij diezelfde hogeschool.

    • Jan de Vries
    • Hans Blankert