Geurspreiding

De moderne jonge vrouw spaart de parfum niet, daar kan elke treinforens over meepraten. Een flinke lik parfum na het tandenpoetsen geeft zelfvertrouwen. Men toont zichzelf de moeite waard te vinden en laat zien in het woud van beschikbare geurstoffen de weg te weten. 't Schijnt zo te zijn dat elke leeftijdsklasse nu zijn eigen typische geur heeft.

Er zijn veel nieuwe geuren. Waar de rijpere vrouw vaak nog naar zware dierlijke geuren grijpt, lijkt onder minder rijpe en onrijpe vrouwen juist een voorkeur te bestaan voor plantaardige geurstoffen: specerijen, zacht fruit en etherische oliën. Daaronder zijn nu mengsels die ongewoon lang aan de telefoonhoorn blijven hangen en die gemeen op de ogen slaan.

De amateuronderzoeker raakt van al die nieuwe geurindrukken makkelijk in de war. Ze zadelen hem op met waarnemingen die niet verenigbaar lijken. Zo verbaast hij zich keer op keer over de enorme snelheid waarmee de moderne geurstoffen zich over hun omgeving verspreiden. Voor de trein (waar de entree van de geurverzorgde vrouw vaak al binnen 10 seconden merkbaar is, ook als zij op wel acht meter afstand blijft) is dat nog te begrijpen. De NS-luchtverversing is in handen van krachtige ventilatoren die soms het lawaai van de wielen overstemmen. Maar ook in grote woonkamers zonder ventilatie of openstaande ramen reist het parfum sneller dan aannemelijk lijkt.

Daar staat tegenover dat in het vrije veld een minimaal briesje al kan voorkomen dat men bovenwinds van een geparfumeerde proefpersoon nog iets van een geur merkt. Windkracht één volstaat. Dat wekt toch de indruk dat de diffusiesnelheid van geurmoleculen eerder in centimeters dan in meters per seconde wordt gemeten. Daarop wijst ook al het feit dat de kalm wandelende vrouw bij windstil weer een geurpluim achter zich aan sleept die wel tien meter lang is.

Gaat het nu snel of langzaam? De geaccepteerde maat voor de snelheid waarmee vluchtige stoffen zich door de lucht verspreiden is de diffusie-coëfficiënt. Deze wordt proefondervindelijk bepaald en geeft ruwweg aan hoe snel een standaard concentratieverschil wordt overbrugd. Jammer genoeg hebben de gangbare tabellenboeken maar een handvol geurende verbindingen in hun lijsten opgenomen: alcohol, methanol, ether, butylamine, propionzuur, zwavelkoolstof.

Methanol (methylalcohol) reist bijna twee keer zo snel als ether, zeggen de tabellen. Dat is niet geheel conform de theorie die zegt dat de diffusiesnelheid omgekeerd evenredig is met de wortel uit de molecuulmassa maar ook weer niet zo heel gek. (De molecuulmassa's van methanol en ether verhouden zich als 32 staat tot 74 en hun wortels dus als 5,7 : 8,6.) De grote lijn schijnt te zijn dat zware, dus doorgaans grote, moleculen zich langzamer verspreiden dan kleine. Op grond daarvan kan geen hoge snelheid van de parfums worden verwacht.

Een storende factor is dat lang niet alle geurstoffen even makkelijk worden waargenomen. In de zogenoemde geurdrempels (`odor threshold' voor internetters die getallen willen verzamelen) van ruikbare stoffen zit wel een spreiding van een factor honderd, als het geen duizend is. Sommige stoffen moeten dus een duizendmaal hogere concentratie in de lucht bereiken dan andere om nog nèt te kunnen worden waargenomen. Voor de ervaringen in de trein en op het perron zijn die drempels waarschijnlijk van groter belang dan de diffusiecoëfficiënten. (Het voorkomen van aanzienlijke verschillen in zowel diffusiecoëfficiënten als geurdrempels verhindert overigens niet dat de eerste geuren die men van een net gearriveerde mevrouw opsnuift een andere indruk moeten wekken dan die welke na instelling van het evenwicht worden waargemomen. Een interessant gegeven.) Afgelopen week werd geen mevrouw gevonden die het lichaam ter beschikking wilde stellen van AW-geuronderzoek en daarom is besloten om voor de eerste vingeroefeningen op dit terrein terug te vallen op een klassieke proef. Te weten die waarbij men de diffusiesnelheden van ammoniak en zoutzuur (als gas) vergelijkt door aan beide zijden van een lange, horizontale glazen buis natte wattenproppen aan te brengen. De één gedrenkt in een waterige zoutzuuroplossing, de ander in `ammonia', dat is water met ammoniak. Als de gassen ammoniak en zoutzuur elkaar in de lucht ontmoeten reageren zij tot salmiak dat een witte vaste stof is. Er ontstaat dus witte rook en omdat het lichte ammoniak sneller diffundeert dan zoutzuur vormt zich het rookwolkje aan de zijde van de zoutzuurwatten.

Maar zoutzuur is geen courant artikel meer, Albert Heijn verkoopt het niet. Er moest worden uitgeweken naar technisch azijnzuur van Loda, de hoop was dat daaruit misschien wat zoutzuur zou ontstaan als er een flinke schep keukenzout in ging. Het was een kleine moeite om een glas ammonia (ook van Loda) naast een glas azijnzuur-plus-zout te zetten. En groot was de tevredenheid toen inderdaad een dunne rooksliert uit het stelletje opsteeg.

Bij nader inzien was het keukenzout nergens goed voor, elke middelbare scholier wist dat van tevoren. Azijnzuur zelf werkt nagenoeg evengoed als zoutzuur. Azijnzuur is óók een vluchtige stof en het ammoniumacetaat dat zich vormt uit de ontmoeting tussen ammoniak en azijnzuur is ook een witte vaste stof. Dus: weer witte rook, zij het wat minder overtuigend dan de salmiakrook en in feite zo weinig verschillend van de damp boven hete thee of koffie dat men het makkelijk voor waterdamp verslijt. Maar in het onderhavige experiment was de temperatuur van de vloeistoffen 14 graden, die van de omgeving 15.

Bij toeval werd duidelijk dat de acetaatrook snel dikker en zichtbaarder werd als de relatieve vochtigheid van de omgeving toenam (doordat de afvoerloze geiser lang brandde). Kennelijk fungeren de rookdeeltjes als condensatiekernen. Toen werd het tijd voor het adembenemende slotexperiment: een borrelglas azijnzuur staande in een schaal ammonia naast een schaal azijnzuur waarin een glaasje ammonia was gezet. Van het eerste stel rookte het borrelglas, van het tweede de schaal.

    • Karel Knip