Fundamentalistische betweter

`Ik ben gereed. U ook? Op weg naar het beloofde land!' Het zijn de laatste woorden van Pim Fortuyns opstel De verweesde samenleving in het informatietijdperk. De beoogd lijsttrekker van Leefbaar Nederland speelt de rol van Mozes aan het eind van een opstel dat, in de woorden van de auteur, bepleit `door een goed gebruik van ICT de wereld herbergzamer te maken en kleine verbanden een kans te geven en te stimuleren'.

Het zal wel ironisch bedoeld zijn, de verwijzing naar Mozes. Helemaal zeker is dat niet. Want wie de boeken van Fortuyn ter hand neemt, merkt snel dat humor niet diens sterkste zijde is. Er valt volstrekt niets te lachen op de 510 pagina's van De Grote Pim Fortuyn omnibus, waarin de auteur zijn recente grotere opstellen heeft verzameld.

Daar staat tegenover dat hij niet zomaar iemand is die voor de vuist weg originele standpunten verzint over het drastisch beteugelen van het aantal asielzoekers in Nederland, het op grote schaal ontslaan van ambtenaren of het ontbreken van waarlijk politiek debat in het Nederlandse parlement. In weerwil van wat veel beoogde kiezers van Leefbaar Nederland vermoedelijk denken, is hij niet zomaar een vrolijke Frans, die vanuit de heup guitige salvo's afvuurt op het politiek establishment.

De boeken leren heel anders: Fortuyn ziet zichzelf als een denker van betekenis, die de natie de weg wijst. En neemt zichzelf daarin zeer serieus.

Of met het verwacht electoraal succes de werken van Fortuyn ook bestsellers zullen worden, kan worden betwijfeld. Want zij vormen moeizame lectuur. Aan ambitie ontbreekt het de auteur geenszins: de grote vraagstukken van deze tijd – onze cultuur, de ICT, de islam, het Israëlisch-Palestijns conflict, Europa, ons politiek systeem – beoogt hij in onderlinge samenhang te behandelen. Helaas ontbreekt het hem aan consistentie in het betoog, en lijkt hij bij elk onderwerp alles wat hij weet overhoop te willen halen. Zo moet de lezer van De verweesde samenleving, voordat hij bij de conclusie over ICT geraakt, zich onder andere worstelen door de moord op Willem van Oranje, de Franse koning Lodewijk XIV, en talloze andere, voor het onderwerp irrelevante feiten.

Kenmerkend is dat de auteur zelden of nooit verwijst naar andermans gedachtegoed, ter onderschrijving of bestrijding. Het is alsof Fortuyn, gezeten in een cocon, slechts zijn persoonlijke gedachten de vrije loop laat. Wel verwijst hij regelmatig naar zijn eigen geschriften, om aan te tonen dat hij vroeger ook al gelijk had. Nooit om te laten weten dat hij tot andere gedachten is gekomen. Hier is dus niet zozeer iemand bezig de wereld te onderzoeken en zich te verwonderen, of te bedenken hoe hij de loop der gebeurtenissen een duwtje in de door hem gewenste richting kan geven. Fortuyn werkt eerder aan een leer: de Fortuyn-doctrine.

Hoe ongevoelig hij daarbij kan zijn voor signalen uit de buitenwereld wordt geïllustreerd door Fortuyns bekendste opstel, Tegen de islamisering van onze cultuur. De centrale these, dat liberale vormen van de islam even vijandig staan tegenover de westerse cultuur als de fundamentele variant, zou eenvoudig te ontzenuwen zijn: door een gesprekje met de dichtstbijzijnde moslim, of een boekje over de geschiedenis van het Midden-Oosten.

Maar Fortuyn kijkt wel mooi uit: wat hij eenmaal geschreven heeft geldt. In die zin is hij zelf een fundamentalist. Hij zegt het aanbrengen van differentiatie binnen de islam af te wijzen, omdat hij een tegenstander is van `cultuurrelativisme' – alsof dat hetzelfde zou zijn als je op de hoogte stellen van gegevens die niet stroken met je aanvankelijke aannames.

Fortuyn verwacht ook van anderen dat zij fundamentalist zijn – dus vasthouden aan eerder ingenomen standpunten. Met hoon overlaadt hij, in de verzamelde columns van de bundel Droomkabinet, de Nederlandse politici van onze consensusdemocratie, die voortdurend bezig zijn hun opvattingen in compromissen om te zetten. VVD-leider Dijkstal, schrijft hij, munt uit `als verzoener en bruggenbouwer in politieke tegenstellingen' – in Fortuyns waardensysteem een opperste belediging. Het CDA, `dat zich heeft omgevormd van een ideële beweging in een technocratische bestuurderspartij', herbergt volgens Fortuyn `de farizeeërs van onze tijd'.

Hij is een columnist van de fulminerende soort, die voortdurend anderen terechtwijst. Bijna wekelijks placht hij de kennelijk naar controverse snakkende lezers van Elsevier erop te wijzen dat onder Paars `het politieke debat volledig dood is': `Voor idealen, laat staan passie is [in de politiek] geen plaats.'

Slechts weinig protagonisten in de `fopdemocratie' ontsnappen aan Fortuyns toorn. Slechts de voormalige VVD-leiders Bolkestein en Wiegel kunnen er nog een beetje mee door. De PvdA, waarvan hij vroeger zes jaar lid is geweest maar waarin hij `toenemend in een isolement' raakte, behandelt Fortuyn maar zelden. Opmerkelijk voor iemand die de terugkeer van politieke idealen bepleit is het ontbreken van een coherent ideologisch raamwerk of politiek programma. Er is wel een vage utopie: een idyllische samenleving van kleine maatschappelijke verbanden. Het CDA, met zijn traditie van `soevereiniteit in eigen kring' zou daarvoor moeten zorgen – maar een heel ander CDA dan dat van nu.

Droomkabinet is ook een geruststellend boek. Je hoeft de onbesuisde voorstellen van Fortuyn over asielbeleid, integratie van buitenlanders, afschaffing van de WAO enzovoorts niet te delen om in te zien dat deze zich binnen de grenzen van het democratisch en wettelijk aanvaardbare bewegen. Een anti-parlementarist is Fortuyn geenszins, eerder iemand die op voorhand verbolgen is dat zijn ferme waarheden in de praktische politiek niet serieus worden genomen. Helaas voor Fortuyn zijn veel van de taboes waar hij tegenaan schopt – het rommeltje in de gezondheidszorg, de leiders van grote ondernemingen die zichzelf verrijken met opties – in de Nederlandse politiek inmiddels nauwelijks taboes meer.

Zou het Kamerlid Fortuyn een aanwinst voor de Nederlandse democratie kunnen zijn, een provocateur die de saaie consensusdemocratie een beetje kan opvrolijken? Babyboomers, zijn autobiografie uit 1997, slaat die hoop grotendeels de bodem in: ware vrolijkheid is bij hem vér te zoeken.

In dit wonderlijke boek, vol grootheidswaanzin en zelfbeklag, maakt Fortuyn de lezer deelgenoot van een centrale ambitie: als Bekende Nederlander te worden erkend. Dit streven is echter met veel ambivalentie omgeven. Zijn voornaamste aanleg is immers het kritiek leveren op anderen, zodat zijn populariteit bij andere Bekende Nederlanders sterk te wensen over laat. Verreweg het meest pathetische hoofdstuk is een lijst van andere Bekende Nederlanders, die door Fortuyn worden gewogen en te licht bevonden – met uitzondering van het kaliber Jan des Bouvrie of Harry Mens.

Treffend is bovenal de rancune waarmee de autobiografie is doordrenkt. Vrijwel niemand die ooit met Fortuyn te maken heeft gehad, ontsnapt aan zijn beschuldigingen, messcherpe beoordeling of indiscrete onthulling. Het is dezelfde rancune die opvalt wanneer je Pim Fortuyn dezer dagen een toespraak hoort houden, of hoort klagen dat hem ,,het bloed onder de nagels wordt weggetreiterd' als een tv-presentator hem een kritische vraag stelt. Hier spreekt en schrijft iemand die weet dat hij gelijk heeft, maar sterk vermoedt dat hij ook deze keer wel weer niet gelijk zal krijgen, en daarover op voorhand al verongelijkt is. Geen vrolijke Frans dus. Want de rancuneuzen dezer aarde vormen maar zelden het succes van het feestje.

De verweesde samenleving in het informatietijdperk (Omnibus), Speakers Academy Uitgeverij/Van Gennep; Droomkabinet: Hoe Nederland geregeerd moet worden. Van Gennep, 221 blz.

Babyboomers en ander ouder werk van Fortuyn is verkrijgbaar bij De Slegte.

    • Raymond van den Boogaard