...en Israël martelt verdachten

Israël martelt verdachte Palestijnen. En de feiten wijzen uit dat dit niet beperkt blijft tot `tikkende bommen', dat wil zeggen mensen met directe informatie over aanslagen.

Sedert het begin van de Al-Aqsa intifadah, eind september vorig jaar, heeft Israël het martelen van Palestijnse gevangenen hervat. Uit onderzoeken van een Israëlische en Palestijnse mensenrechtenorganisatie blijkt dat het martelen niet beperkt blijft tot `tikkende bommen'. De Israëlische mensenrechtenorganisatie B'Tselem komt binnenkort met een rapport uit over martelen aan de hand van ondervragingen van vrijgelaten Palestijnse gevangenen.

In september 1999 verbood het Hooggerechtshof in Jeruzalem martelen, maar in juli dit jaar kwamen de rechters daar tegen de achtergrond van de intifadah van terug. Zowel B'Tselem als de Palestijnse mensenrechtenorganisatie PHRMG hebben sedertdien gevallen van martelingen in Israëlische gevangenissen uitvoerig gedocumenteerd. ,,De [binnenlandse veiligheidsdienst] Shin-Beth heeft grote invloed uitgeoefend om het martelen te hervatten'', aldus Bassam Eid, directeur van PHRMG.

B'tselem en PHRMG beschikken niet over informatie over hervatting van het `schudden' door de Shin-Beth. `Schudden', het heftig heen en weer schudden van het hoofd, werd in 1987 door de commissie-Landau verboden. Een woordvoerder van B'Tselem zei gisteren dat zijn organisatie geen toegang heeft tot Palestijnse gevangenen zodat niet kan worden vastgesteld of deze martelmethode is hervat in de Israëlische gevangenissen.

,,Ik heb in het gebouw van het Hooggerechtshof in Jeruzalem de brandwonden gezien van sigaretten op het lichaam van de 34-jarige Abdul Rahman al-Ahmar uit het Palestijnse vluchtelingenkamp Dehaishe'' bij Bethlehem, vertelde gisteren Bassam Eid. Deze Palestijnse gevangene wordt door Israël in administratieve hechtenis gehouden. Hij is voorts door zijn ondervragers in een erg pijnlijke positie gebonden, in weer en wind buiten geplaatst, en aan zijn handen opgehangen. Volgens Bassam Eid is hij ziek en wordt hem medische verzorging door de Israëlische autoriteiten onthouden.

B'Tselem en PHRMG hebben ook getuigenissen vastgelegd van minderjarige Palestijnen die door Israël zijn gemarteld. Op 10 juli werd volgens Bassam Eid de tienjarige Sadam Ali Awad uit Bethlehem gearresteerd. ,,Ze sloegen me met een pijp van plastic waardoor mijn arm werd gewond. Eerst dwongen ze me al mijn kleren uit te trekken. De hele nacht stond ik aan handen en voeten gebonden en geblinddoekt buiten'', aldus zijn getuigenis. Dat gebeurde volgens PHRMG in het politiebureau in Gush Etzion, nabij Bethlehem.

Over het martelen van minderjarigen publiceerde B'Tselem in juli ook een uitvoerig rapport. Ibrahim Za'ul (16) verklaarde tegenover B'Tselem dat een Israëlische officier die zich voorstelde als Ayub tegen hem zei geen genade te kennen en bereid was hem te doden als hij niet de namen noemde van kinderen die stenen hadden gegooid. ,,De ondervrager zei dat hij me zou elektrocuteren'', verklaarde hij. Hij voelde twee draden op zijn hoofd maar er gebeurde niets. Ibrahim Za'ul werd naar een andere kamer gebracht waar een jonge Palestijn voor zijn ogen werd geslagen. Deze Ahmed Sabatin begon te huilen en schreeuwen. Daarop bekende Ibrahim dat Ahmed geen stenen had gegooid, maar hij wel.

De 15-jarige Sultan Mahdi ontkende in het begin van de ondervraging stenen te hebben gegooid naar legervoertuigen. Volgens de getuigenis die hij tegenover B'Tselem aflegde werd hij eerst vijf uur ondervraagd en daarna naar de badkamer naast de ondervragingsruimte gebracht waar een van de ondervragers zijn hoofd in het toilet duwde. ,,Ik was doodsbang'', vertelde hij. Na deze behandeling besloot hij te bekennen vijf stenen te hebben gegooid naar een auto van een kolonist.

    • Salomon Bouman