De doctorandus uit Buitenveldert

De cabaretière Sanne Wallis de Vries, die in het tv-programma Kopspijkers karikaturale imitaties van ministers Borst en Netelenbos (Turbo-Tineke) neerzette, zei in een interview: ,,Er werd me onlangs gevraagd waarom Wim Kok nooit geïmiteerd wordt. Dat heeft misschien toch met zijn grijsheid te maken. De man is zo egaal, hij lijkt altijd een beetje op een duif, met dat bewegende snavelsnuitje.''

Hetzelfde lijkt te gelden voor de verbale karikatuur, de bijnaam. Er is er voor Wim Kok welgeteld één in omloop, en die stamt nog uit zijn vakbondstijd: de timmermanszoon uit Bergambacht. Een wel erg magere oogst, vooral daar een verwijzing naar die andere timmermanszoon, uit Nazareth, niet opgaat. Wat je ook van Kok mag vinden, niet dat hij messiaanse trekken vertoont.

Het gebrek aan bijnamen geldt overigens niet zozeer Kok als wel de hele Nederlandse politiek. In vergelijking met bijvoorbeeld Groot-Brittannië blijft in Nederland calvinistische afgepastheid troef. Vorige maand verscheen een herdruk van een biografie van Beel, getiteld Beel. Van vazal tot onderkoning, met nieuwe informatie over Greet Hofman, in de jaren vijftig de Raspoetin van Soestdijk. Louis Beel dankte de eretitel `de Onderkoning' aan het feit dat hij lang vice-voorzitter van de Raad van State is geweest (voorzitter is het staatshoofd, al woont die de vergaderingen sporadisch bij) en aan zijn rol als adviseur van koningin Juliana bij kabinetsformaties. Als het vleesgeworden geheim van Soestdijk kreeg hij ook de bijnaam `de Sfinx van Wassenaar'.

Het is typerend voor de Nederlandse karigheid dat hij dat beeld moest delen met een andere grootheid in de naoorlogse politiek. Carl Romme, de KVP-leider die liever vanuit de Kamer dan vanuit het kabinet het schip stuurde, was `de Sfinx van Overveen'. Om op de hoogte te blijven van de beraadslagingen had hij zijn contacten in de boezem van de regering: Marga Klompé, als enige vrouwelijke minister jarenlang Neêrlands eerste excuus-Truus, heette niet voor niets `de Spionne van Romme'.

De derde grote man uit de politiek van de jaren vijftig kreeg met `Vadertje Drees' een bijnaam waaruit tegelijk respect en genegenheid sprak. Aan dezelfde zorg waarmee hij de natie door moeilijke tijden leidde, dankte hij zijn tweede, die in de titel van een boek van John Jansen van Galen en Herman Vuijsje vereeuwigd werd: Willem Drees. Wethouder van Nederland.

De kleurrijker jaren '60 en '70 leverden niet meer bijnamen op, eerder minder. Afgezien van wat strooigoed – `Straaljager Hannie' voor Hannie van Leeuwen, lid van de Kamercommissie die moest beslissen over de aanschaf van een nieuw type straaljager, en `Mooie Barend' voor Biesheuvel – richtte de aandacht zich vooral op het duo Van Agt & Den Uyl. Voor de eerste verwees `Dries Beton' naar de hem toegeschreven onbuigzaamheid tijdens formatiebesprekingen en `Dolle Dries', geleend van de marathonschaatser Dries van Wijhe, naar zijn onvoorspelbare gedrag. De `jurist van de Heilige Landstichting' (zijn toenmalige woonplaats) is meer een geografische aanduiding dan een bijnaam; in `de doctorandus uit Buitenveldert' valt tenminste nog de geur van sarcasme te ontdekken, temeer daar het voornamelijk door Van Agt zelf gebruikt werd. Ook `Ome Joop', oorspronkelijk een figuur uit de Dik Voor Mekaar-show van André van Duin, kwam vooral Van Agt uit de mond. Een bijrol was er voor Wiegel, al stamt `het Orakel van Ljouwert' uit de tijd dat hij zich, als commissaris van de koningin in Leeuwarden, al uit de landelijke politiek had teruggetrokken.

Uiterlijke kenmerken spelen in het geven van bijnamen in de Nederlandse politiek al helemaal een ondergeschikte rol. Uitzonderingen zijn `Neelie Split-Kroes', een verwijzing naar de voor het Binnenhof ongebruikelijk gewaagde kledij van – toen nog – Neelie Smit-Kroes, en het alleszeggende `Ma Flodder' voor Ien Dales.

Typerender voor de Nederlandse politiek is het gebruik van de gemakzuchtige vergelijking. Max van den Berg, ooit PvdA-wethouder in Groningen en toen nog getooid met een fikse baard, heette daar `de Raspoetin van het Noorden'. Dian van Leeuwen dankte aan haar autoritaire rol als VVD-voorzitter de naam `de Stalin van de Koninginnegracht' (waar het VVD-partijbureau gevestigd is) en Piet Bukman, eerste voorzitter van het CDA, werd `de Lenin van Voorschoten'. En recent nog werd Frank Köhler, ex-wethouder voor GroenLinks in Amsterdam, door Martin van Amerongen getypeerd als `een soort Breznjev aan de Amstel'.

Hopelijk levert de komende verkiezingsstrijd iets creatievers op. Youp van 't Hek gaf al het goede voorbeeld. Zelf-beoogd premier Pim Fortuyn, tot nu nauwelijks anders opgevoerd dan als `Professor Pim', noemt hij `de rat van Fortuyn'.