Daar komen de vredesagenten

Het leger staat leeg. De Koninklijke Landmacht, met 30.000 werknemers een van de grootste collectieve werk- gevers, kampt met personeelstekort. Alle opgelegde taken kunnen we blijven uitvoeren, zegt de landmacht. Is dat zo? Een onderzoek naar de werkelijkheid achter de cijfers. `Soms is het hier net een kinderfeestje.'

In Drawsko, Polen is het even oorlog.

Niet echt natuurlijk. Maar wel nét echt.

Sta tussen de mannen en het materieel, voel de laaghangende mist en vochtige vrieskou en verbeeld je midden in het strijdgewoel te staan. Kijk naar een aanstormende kolonne Nederlandse tanks over een stapel PVC-buizen, waarmee een drie meter diepe tankgracht is gedempt. Naar het YPR-pantservoertuig dat met hoge snelheid aankomt, hard voorover slaat, even blijft hangen, maar dan toch met gierende motor uit de tankgracht klimt. ,,Zo'', roept een jonge wachtmeester bewonderend. ,,Die maakte even een klapper.'' Peter Schaberg, overste bij de Koninklijke Landmacht (KL), kijkt met flonkerende ogen en knikt instemmend. Dan brengt ook hij de realiteit van de oefening weer terug tot de juiste proporties: ,,Soms is het net een kinderfeestje.''

Op de Poolse hei, zo'n vijfhonderd kilometer ten noordwesten van Warschau, oefent deze weken de 43ste brigade voor...

Ja, voor wat eigenlijk?

Níet om mee te doen aan de oorlog tegen het terrorisme in Afghanistan, waarvoor het kabinet onlangs 1.400 man beschikbaar stelde. Dat zal alleen maar personeel van marine en luchtmacht zijn. Ook niet meer om het land te verdedigen tegen een massale aanval uit het oosten. Die tijd is voorbij. Wél om te kunnen voldoen aan de voortdurende inzet voor vredesmissies die van een moderne landmacht wordt gevraagd.

Daarmee is meteen het probleem geschetst.

Want hoe reëel zijn de eisen voor de huidige landmacht van het Koninkrijk der Nederlanden eigenlijk? Kan zij nog aan haar verplichtingen voldoen?

De 2.500 mannen en vrouwen met hun YPR's en tanks in Drawsko willen daar eigenlijk niet over nadenken. Zij ploeteren in de modder, spelen het oefenspel met enthousiasme, praten zichzelf moed in als in de dagelijkse praktijk hét probleem van de Koninklijke Landmacht zich openbaart: een schreeuwend personeelstekort. Als hem ernaar gevraagd wordt, grabbelt Peter Schaberg in zijn ton met eufemismen: ,,Op zich'', zegt hij, ,,zegt dat personeelstekort mij weinig in de praktijk.''

Toch blijkt de praktijk van Drawsko bikkelhard.

Normaal gesproken werkt Peter Schaberg tijdens zo'n grote oefening met de infanterie, het `militaire voetvolk', om te oefenen hoe tanks en pantserinfanteristen gezamenlijk moeten optreden. Maar de infanterie van de 43ste brigade is zwaar onderbezet, vertelt Schaberg. Bovendien moeten ze binnenkort worden uitgezonden naar Bosnië. ,,Ze volgen nu hun eigen programma.'' Om de gaten op te vullen doet een Duits tankeskadron daarom mee met oefening `Bison Drawsko', op kosten van het Nederlandse ministerie van Defensie. Daar komt bij dat Schabergs eigen twee tankeskadrons ook slecht gevuld zijn: slechts 8 tanks per eskadron zijn bemand, terwijl dat er normaal gesproken twaalf moeten zijn.

Zo drukt de Poolse oefening de mannen hard met de neus op de feiten. Twee tankcommandanten doen niet mee met de oefening, omdat ze op cursus zijn. Hun plek wordt ingenomen door onderofficieren die normaal een bureaubaan hebben. De vacature voor een tankbestuurder is opgevuld door er één te lenen van de 41ste brigade.

En zo gaat het maar door.

Wachtmeester Rob van Stal is plaatsvervangend commandant van het eerste peloton, dat normaal gesproken zestien man telt. Ook hij put uit eufemismen als hem de vraag wordt voorgelegd hoe vaak die zestien mensen ook allemaal present zijn: ,,Daar ontbreekt het wel eens aan.'' De bemanning van de tanks van het eerste peloton in Drawsko zouden een op elkaar ingespeeld viertal moeten worden. Maar door de uitvallers lukt dat nu niet, vertelt Van Stal. In mei volgend jaar moet het eerste peloton naar Bosnië, mét een vaste, getrainde bemanning op iedere tank. Maar of dat lukt? Van Stal: ,,Je moet roeien met de riemen die je hebt.''

Vullingsgraad

De Tweede Kamer, ruim drie weken geleden. Aan de orde is de behandeling van de begroting van het ministerie van Defensie. Buiten slaat een najaarsstorm tegen de ramen, binnen zitten elf Kamerleden en twee bewindslieden voor een schaars bezette publieke tribune bij elkaar. Hier wordt de praktijk van Drawsko vertaald naar Haags beleidsproza. Daarvoor is één kernbegrip uitgevonden.

Ambitieniveau.

Daarmee bedoelt men: de militaire macht die het Nederlandse defensieapparaat moet kunnen ontplooien. Voor de landmacht bestaat dat ambitieniveau uit twee opties. Ofwel het leveren van 7.500 militairen aan een Peace Enforcing brigade, die waar dan ook ter wereld vrede moet kunnen `opleggen' met geweld: meedoen met een `echte oorlog' dus. Ófwel de inzet van troepen voor peace keeping (vredeshandhaving): twee bataljons (twee keer 600 man) op twee locaties, voor lange duur.

Gezien het tekort aan met name `gewone' soldaten zijn deze aspiraties hoog. En dus keert steeds één vraag terug in de politieke arena.

Kan de landmacht nog wel aan dat ambitieniveau voldoen?

Ook deze herfstige woensdagmiddag is de kwestie weer aan de orde. Minister Frank de Grave (Defensie) laveert behendig in algemene termen om de vragen van de geachte afgevaardigden heen: ,,Het kraakt stevig, daar maak ik geen geheim van, maar het kan nog steeds.'' En: ,,We halen alles uit de kast om dat realistische niveau op tafel te houden.'' Volgt een exposé over ,,de tomeloze inzet'', over ,,de grote motivatie'' en over het feit ,,dat als het nodig is, Defensie er ook is.''

Dat geldt zeker voor de landmacht.

Binnen de organisatie laat men zich niet snel kennen. Dat hoort bij het vak waar loyaliteit op nummer één staat en het woord `probleem' standaard lijkt te zijn vervangen door het begrip `uitdaging'. Als het over het tekort aan personeel gaat, is dat ook niet verwonderlijk. Minder soldaten tast de dagelijkse werkelijkheid van de beroepsofficieren aan.

Zo makkelijk is het trouwens niet om de juiste cijfers over de `vullingsgraad' van de landmacht te bemachtigen. Vorig jaar bleek uit onderzoek van deze krant dat de werving van de Beroepsmilitairen Bepaalde Tijd (BBT'ers, de `gewone' soldaten) al jaren veel slechter liep dan tot dan toe werd gerapporteerd. Dit kwam doordat Defensie de concrete resultaten van de werving vertroebeld weergaf aan de Tweede Kamer. Daar zei De Grave dat hij 85 procent van de benodigde soldaten wist binnen te halen en dat dat, gezien de arbeidsmarkt, geen slecht resultaat was. Maar intussen bleek de daadwerkelijke personele bezetting maar 74 procent te zijn.

Het ministerie erkende na de publicaties het ,,onheldere beeld''. Bovendien werd 200 miljoen aan maatregelen aangekondigd om de leegloop te stoppen. De salarissen werden verhoogd, rekruten die wilden tekenen konden voortaan rekenen op `bindingspremies' die voor sommige functies konden oplopen tot een ton. Maar enkele weken geleden bleek dat de vullingsgraad op een nieuw dieptepunt is beland: 69 procent van de BBT-functies bij het Duits-Nederlands legerkorps, waarin bijna alle Nederlandse troepen zijn ondergebracht, is vervuld. De effecten van de 200 miljoen, zo stelt de landmacht, zullen volgend jaar zichtbaar worden. En er wordt hoop geput uit de nieuwste cijfers waaruit blijkt dat de Koninklijke Landmacht dit jaar 342 meer rekruten aan zich heeft weten te binden dan vorig jaar. Maar nu al staat vast dat dat niet genoeg zal zijn om tegemoet te komen aan de vele duizenden openstaande vacatures. Ook dát blijkt uit de interne berekeningen.

Vervolg op pagina Z2 (30)

Daar komen de vredesagenten

Vervolg van pagina Z1 (29)

Deze documenten, die deze krant kort geleden via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur in handen kreeg, schetsen een somber beeld. De vullingsgraad van 69 procent is bijvoorbeeld een gemiddelde, zo wordt gerapporteerd in de meest recente `uitvoeringsrapportage', ,,en behoeft nuancering''. Van de gevechtsfuncties (soldaten die de tanks bemannen en de infanterie vormen) ligt de vullingsgraad veel lager, tussen de 60 en de 65 procent. Het cijfer voor BBT-personeel van de prestigieuze Luchtmobiele Brigade, bedoeld als paradepaardje van de landmacht, ligt zelfs nog onder de 60 procent. Om toch normaal te kunnen functioneren worden overal in het leger gevechtspelotons ,,tijdelijk'' samengevoegd, aldus de rapportage.

Daarmee raakt het personeelstekort direct aan de slagkracht van de landmacht: 40 procent van de mannen en vrouwen die het `echte vechten' moeten opknappen, is niet aanwezig. De Koninklijke Landmacht, 23.000 militairen, is daarmee een `holle organisatie' geworden: zwaar aan de top, leeg aan de basis. Zo zijn er bijna evenveel leidinggevenden (officieren en onderofficieren) als ondergeschikten (soldaten en korporaals). De landmacht telt 39 generaals: één per 600 militairen.

Terug naar de werkvloer, naar Jan Blacquière, commandant van het 44ste pantserinfanteriebataljon, dat normaal gesproken uit zo'n zeshonderd man bestaat. Hij moet volgend jaar twee pelotons (zestig man) leveren voor uitzending naar Bosnië. Zelf blijft hij achter op de kazerne in Havelte, met ongeveer twintig infanteristen. Voor het kader is dat te weinig om leiding te kunnen geven, vertelt hij. Maar Blacquière weigert het hoofd in de schoot te leggen (,,Je wilt toch ook een beetje bataljonscommandant kunnen zijn'') en heeft eigenhandig een oplossing bedacht: Operatie Black Horse – een verwijzing naar het zwarte veulen in het wapen van het regiment Johan Willem Friso. Die voorziet in het omdopen van het kader tot speciale wervingsofficieren. Ze moeten bijspringen in de banenwinkels van de dienst Werving en Selectie in Noord-Nederland. Doel: het werven van 200 extra soldaten in 2002, zodat aan het einde van het jaar vier pelotons gevuld zijn – absoluut noodzakelijk voor de volgende `tour' in Bosnië. ,,Het moet lukken'', zegt hij kordaat. ,,Ik weiger te zeggen dat het niet kan.'' Blacquière, kort grijzend haar en snor, is de verpersoonlijking van de `tomeloze inzet' waar De Grave het in de Tweede Kamer over had. ,,Ik ga als commandant niet zeggen dat het niet kan. Dat is niet de instelling. Stuit je op een hindernis dan ga je er omheen. Dat is de mentaliteit bij de KL.''

Daarmee is niets te veel gezegd, onderstreept ook de top van de landmacht. We zitten met de generaals Ruud Vermeulen (verantwoordelijk voor de werving), Marcel Urlings (commandant van het Duits-Nederlandse legerkorps) en bevelhebber Ad van Baal aan een grote tafel in de `Prinsenkamer' van het landmachthoofdkwartier in Den Haag. Het gaat over pelotons, compagnies, bataljons en brigades, over het verschil tussen `parate' eenheden en eenheden die daadwerkelijk `operationeel inzetbaar' zijn. Over het Nederlandse `uitzendbeleid', over de `1-op-3-regel' en over het `accentmodel', het rotatieschema voor Bosnië dat er voor moet zorgen dat de doorstroming van de troepen goed verloopt. Maar het gaat wederom vooral over de ,,grandioze motivatie'' van de manschappen. Bovendien is het dieptepunt in de slechte wervingscijfers achter de rug, zeggen de generaals. Vanaf nu kan het alleen maar beter gaan.

Maar toch.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de Koninklijke Landmacht de eigen militaire normen moet oprekken om aan het ambitieniveau te kunnen voldoen (zie kader). En de aantrekkende wervingscijfers zijn nog niet echt indrukwekkend. Van Baal geeft toe dat de situatie ,,niet makkelijk'' is. Maar als de ,,sense of urgency'' er is, dan kan hij ,,nog wel wat regelen'', zoals het inzetten van het eigen geneeskundig personeel in opleiding en het oproepen van reservisten als chirurg. En hij heeft nog een andere troef: dat wat in de wandelgangen de swing role van eenheden wordt genoemd.

Het betekent dat voor peace keeping `in de lagere regionen van het geweldsspectrum' niet per se meer infanterie (de `gewone, vechtende soldaat') wordt ingezet, maar ook militairen die slechts enkele weken een gevechtsopleiding hebben gehad. Zo kunnen de gaten worden gevuld: iedere soldaat, ook al zit hij achter een bureau, is uitzendbaar.

In de huidige praktijk van Bosnië levert dat geen problemen op. Daar zijn al jaren geen gevechtshandelingen meer geweest. Maar wat als dat wel gebeurt, in Bosnië of bij een andere missie? ,,Dan zijn er voldoende gevechtseenheden van andere naties aanwezig'', zegt een woordvoerder van de landmacht.

Zo is landmacht bijna ongemerkt aan het veranderen: van een traditioneel leger naar een reservoir van gewapende `agenten in groen'. Van een organisatie die in naam nog het grote gevecht kan voeren, maar zich in de praktijk richt op missies in gebieden waar het nét geen oorlog meer is. Of zoals overste Peter Schaberg, op oefening in Polen, zegt: ,,Waar we hier vooral aandacht aan besteden is opmars en het controleren van een gebied.''

Het `vertragende gevecht' tegen een oprukkende vijand, hét specialisme van de landmacht in de Koude Oorlog, ,,laat hij even liggen'', vertelt Schaberg. ,,De kans dat ze dat in Bosnië moeten doen, is te verwaarlozen.''

Op deze manier kan er nog lang worden gepuzzeld met het ambitieniveau. Maar het is niet de bedoeling dat dát hardop wordt gezegd. Waarom laat de landmacht het ambitieniveau niet los en concentreert men zich op datgene wat wél haalbaar is? Bronnen binnen het departement weten wel waarom. Zodra het ambitieniveau een `zwevend begrip' wordt, ligt de politiek op de loer, zo is de vrees. Immers: als het ambitieniveau niet gehaald kan worden, kan de organisatie, die de afgelopen jaren toch al te maken heeft gehad met drastische inkrimpingen, nog kleiner worden.

Ad van Baal wil daar natuurlijk niets over kwijt. Behalve één opmerking: ,,Het vaststellen van het ambitieniveau is een zaak van de politiek, niet van de bevelhebber.'' Het is de enige opmerking die hij kan en moet maken.

    • Steven Derix
    • Joost Oranje