Beleggen en verzekeren

Beleggen is het rendabel maken van reserves. Verzekeren is het betalen van premie voor risico's die men niet zelf kan dragen. Wie wil reserveren voor later en daarmee tijdig begint hoeft daarvoor – een eventuele overlijdensrisicoverzekering uitgezonderd – geen verzekering te sluiten.

1Oudedagsvoorziening. Deze bestaat uit drie pijlers. De AOW, de aanvullende pensioenreservering via de werkgever en de eigen besparingen. Mensen die geen pensioen opbouwen via een werkgever, zoals zelfstandigen, zullen zelf moeten reserveren. Dit geldt ook voor degenen, die pensioenbreuken hebben vanwege echtscheiding of verandering van werkgever. Het is echter niet nodig deze reservering door middel van een lijfrenteverzekering op te bouwen.

In het verleden zijn veel onnodige lijfrenteverzekeringen gesloten vanwege de belastingaftrek. Die aftrek is binnen het nieuwe belastingsysteem sterk beperkt en bovendien zijn de tarieven van de inkomstenbelasting lager en daarmee de aftrek lager. Bij het afsluiten van lijfrenteverzekeringen worden de kosten die de verzekeraar rekent nogal eens over het hoofd gezien. Kosten van 20 procent of meer van de premie die de verzekeraar oplegt zijn geen uitzondering.

Wie zelf spaart of belegt voorkomt in ieder geval deze hoge kosten. Wie zelf reserveert moet tijdig beginnen en goed spreiden. Dit kan door zowel te investeren in verschillende categorieën, zoals spaarrekeningen, obligaties en aandelen als te zorgen voor een goede spreiding binnen de verschillende categorieën. De spaarrekening kan als basis voor noodzakelijke uitgaven op korte termijn en voor een maandelijkse storting van vaste bedragen voor de aankoop van participaties in goed gespreide obligatie- en aandelenbeleggingsfondsen dienen. De maandelijkse aankoop van participaties in de beleggingsfondsen voorkomt dat deze toevallig op de hoogste koers worden gekocht.

2 Eigen huis. Hypothecaire leningen waarvan de aflossing geschiedt met de uitkering uit een levenskapitaalverzekering waren in de afgelopen jaren zeer populair, omdat de hypotheekrente gedurende de veelal lange looptijd van de verzekering van de inkomstenbelasting kon worden afgetrokken en de uitkering van de verzekering belastingvrij ontvangen kon worden. Inmiddels hebben wijzigingen in de belastingwetgeving de aantrekkelijkheid van kapitaalverzekeringen flink aangetast. Voor een verzekering die is afgesloten vóór 1992 en die voldoet aan de eisen van de looptijd en bandbreedte van de hoogste en laagste betaalde premie, is de uitkering volledig van belasting vrijgesteld.

Deze vrijstelling werd beperkt na de Brede Herwaardering in 1992 tot 272.000 gulden per persoon. Voor nieuwe verzekeringen vanaf 1 januari 2001 kan nog slechts volledige vrijstelling verkregen worden door de polis aan de hypothecaire lening in box 1 te koppelen als KEW (Kapitaalverzekering Eigen Woning). De maximale uitkering bedraagt in 2001 276.566 gulden (geïndexeerd) per persoon, maar kent belangrijke nadelen, zoals de koppeling van de uitkering aan de hoogte van de lening, waardoor men over een gedeelte van de uitkering toch nog belasting in box 1 verschuldigd kan zijn. Wie de verzekering niet aan het eigen huis koppelt, is in box 3 jaarlijks 1,2 procent rendementsheffing verschuldigd. Voor bestaande verzekeringen, waaraan sinds 14 september 1999 niets aan de hoogte van de uitkering of de looptijd is veranderd, geldt een overgangsregime in box 3. Deze verzekeringen zijn tot een maximum van 272.000 gulden (niet geïndexeerd) per persoon tot uiterlijk 2029 van rendementsheffing vrijgesteld. Volgens de hoofdregel vallen kapitaalverzekeringen in box 3. Degenen die van de overgangsregeling in box 3 gebruik kunnen maken, zijn daarmee meestal beter af.

3 Beleggingshypotheek. Deze hypotheek is als opvolger van de levenhypotheek geïntroduceerd, omdat de voordelen van kapitaalverzekeringen sterk beperkt zijn. Onder het mom van een lange looptijd en dat de hypotheekrente maximaal 30 jaar aftrekbaar is, wordt nu vaak belegd om de aflossing bij elkaar te sparen. Hierbij gaan de aanbieders ervan uit, dat de beleggingen in dertig jaar voldoende opbrengen om de hypothecaire lening af te lossen. Veelal wordt echter de looptijd van dertig jaar niet gehaald. Echtscheiding, verlies van de baan of vertrek naar het buitenland kunnen een kortere looptijd veroorzaken. Beleggen betekent risico en dit verandert niet wanneer men belegt voor de aflossing van de hypotheek.

Dit is de laatste aflevering van deze rubriek

    • Marja Weeda