András Toma wil zijn been terug

Meer dan een halve eeuw zat András Toma in Rusland opgesloten. De autoriteiten versle- ten de Hongaarse krijgsgevangene voor gek, zijn familie dacht dat hij dood was. Onlangs keerde hij terug naar huis. Voor het eerst sinds de oorlog praat hij weer: `De zon ziet alles. Er is geen waarheid.'

Bandi bácsi zit met zijn rug naar de wereld en eet druiven. Hij heeft zijn rolstoel in het donkerste hoekje van de zonovergoten tuin geparkeerd. Achter hem bloeien chrysanten en dahlia's in de herfstzon. Op de binnenplaats van het eenvoudige boerenhuisje staan een paar fruitbomen waarin spinnen glinsterende dikke draden hebben getrokken. Druivenstruiken hangen vol met kleine witte druifjes.

Hongarijes beroemdste krijgsgevangene zit met zijn gezicht naar de muur van de schuur en staart naar de grond. Op een paar meter afstand rommelt zijn halfzuster Anna wat in de keuken. Ze treft de laatste voorbereidingen voor de lunch. Bandi bácsi (oompje Bandi) is een grote man met krachtige trekken en treurige, argwanende ogen. Hij kijkt om de paar seconden op zijn horloge. Dwangmatig meet hij de tijd die hem van het middagmaal scheidt.

Bandi houdt niet van bezoek. ,,Komen jullie mijn been terugbrengen'', bromt hij bijna onverstaanbaar. Zijn Hongaars is na een odyssee van zesenvijftig jaar door Russische gevangenkampen en psychiatrische instellingen bijna niet meer te volgen. ,,Ze hebben mijn been naar het kerkhof gebracht. Ik wil mijn been terug.'' Het klinkt monotoon en uitdrukkingsloos.

Anna komt lachend naar buiten en aait hem zachtjes over zijn hoofd. Een kleine, kordate vrouw met lieve ogen. Ze is achter in de vijftig. In een jaar tijd heeft ze Bandi's taal leren spreken. Ze vertelt dat haar broer altijd over zijn been begint om het bezoek te testen. ,,De meeste mensen beginnen dan opmerkingen te maken over de prothese. Dat die wel binnenkort klaar moet zijn en zo. Maar daar gaat het Bandi helemaal niet om. Hij wil gewoon zijn echte been terug. Ik zeg daarom keihard: lieve Bandi, je been is eraf en komt nooit meer terug! Dat is de enige manier om hem te stoppen.''

Bandi's been raakte vier jaar geleden zoek op een andere planeet. Hij zat toen nog in de psychiatrische inrichting in het Russische Kotjelnitsj en was met onduidelijke klachten opgenomen in de ziekenboeg. Toen hij wakker werd was zijn been eraf. Niemand had de moeite genomen om uit te leggen waarom zijn been eraf moest. De geheimzinnige gevangene had al ruim vijftig jaar met niemand gesproken en niemand sprak meer met hem.

De `laatste' Hongaarse krijgsgevangene werd vorige zomer puur bij toeval ontdekt in een Russische psychiatrische inrichting, 800 kilometer ten oosten van Moskou. Het had iets te maken met nieuwe regels en subsidies. De directeur van de kliniek wilde de patiënten terugsturen naar hun families omdat er geen geld meer was om voor ze te zorgen. De zonderlinge patiënt `Irsai' had echter geen papieren en geen familie. De directeur bracht de zaak toevallig ter sprake toen er een Slowaakse arts in de buurt was. De ziekte van Irsai zou vooral berusten op het feit dat hij niets zei of onverstaanbaar brabbelde. De Slowaak ging eens met hem praten en kwam met een verbijsterende boodschap: die man is niet gek, die man spreekt Hongaars. De Slowaak kende het Hongaars dat de etnische Hongaren bij hem in de omgeving spraken.

De directeur van de kliniek, die van de dure patiënt af wilde, haalde de Russische televisie erbij en al gauw stond heel Hongarije op zijn kop. 's Lands beroemdste psychiater András Veér reisde spoorslags af naar de Russische kliniek. Hij trof een totaal in zichzelf gekeerde man van tegen de vijfenzeventig op krukken. Dagen gingen voorbij zonder dat Veér erin slaagde om contact te leggen. Pas toen de Hongaarse psychiater een sprookjesboek uit de jaren dertig op tafel legde en over Roodkapje begon, sprak de patiënt zijn eerste woorden. Het was inderdaad een Hongaar, maar wie was hij en waar kwam hij vandaan? Na zesenvijftig jaar zwijgen kon de patiënt zijn geheim niet meer prijs geven. Bovendien had hij ieder gevoel voor tijd verloren en zei nu eens iets over brullende kanonnen en dan weer iets over een smid. Hij had de naam András genoemd en de naam Tamás, voornamen die in het Hongaars ook achternamen kunnen zijn. Het soort Hongaars dat hij sprak leek te duiden op het noordoosten van het land. Het was ook mogelijk dat de man afkomstig was uit een streek in Slowakije waar Hongaars gesproken wordt. Zeker was alleen dat hij tijdens de oorlog in Russische gevangenschap was geraakt en vervolgens `zoek geraakt' in een psychiatrische inrichting.

Toen de krijgsgevangene vorige zomer onder enorme mediabelangstelling voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog voet zette op Hongaarse bodem, hadden zich al tweehonderd families gemeld die dachten in de man een verloren gewaand familielid te hebben ontdekt. Het was een bizarre herinnering aan het onfortuinlijke Hongaarse oorlogsverleden. De Hongaren vochten met de Duitsers mee tegen de Sovjet-Unie. Het Tweede Hongaarse Leger werd op gruwelijke wijze in de pan gehakt bij het offensief langs de Don. Ook later in de oorlog waren de Hongaren geen partij voor de soldaten van het Rode Leger. Onder de militairen vielen ten minste 350.000 slachtoffers. Zeker honderdduizend soldaten raakten vermist. De zwijgende man op krukken kon ieders familielid zijn.

Bandi's halfzuster Anna Toma, inmiddels Anna Gabulya, zat net als heel Hongarije die bewuste dag aan de televisie gekluisterd toen de `laatste krijgsgevangene' terugkeerde. Toen hij even in de camera keek, schrok ze zich rot. ,,Er ging echt een elektrische schok door me heen. Ik riep meteen: dat is onze Bandi! Hij heeft precies het gezicht van vader.'' Anna had Bandi zelf nooit bewust gekend. Ze was een baby van één jaar toen haar oudste broer soldaat werd. ,,Maar mijn vader is nog 91 geworden en het was verbijsterend hoeveel Bandi op onze vader lijkt. Die oren zijn precies dezelfde. En de manier waarop hij zijn hoofd houdt.''

Anna wilde zich meteen melden als familielid, maar dat mocht niet van haar man. ,,Er staan al tientallen mensen voor die man in de rij. Die zijn straks allemaal teleurgesteld dat het hem toch niet is. Ik wil niet dat jij valse hoop koestert.''

Anna en de rest van de familie wachtten bescheiden af. Ze zochten wel al alle familiepapieren bij elkaar die ze maar konden vinden over het leven van de familie Toma in het gehucht Sulyánbokor. Stukjes foto, doopbewijzen, diploma's. Intussen was ook het Hongaarse ministerie van Defensie een zoektocht begonnen naar de herkomst van de gevangene. Kolonel László Erdös en psychiater Veér konden steeds meer stukjes van de puzzel leggen. Bandi begon namen te noemen van mensen die voor de oorlog een rol hadden gespeeld in zijn leven: van de smid waar hij leerling was geweest, van de schoolmeester, van een schoolvriend. Maar niet van zijn eigen familie. Alsof hij de identiteit van zijn naasten nog steeds moest beschermen tegenover de vijand, weigerde hij de namen te noemen van zijn moeder en vader.

Een paar weken later ging de telefoon bij Anna. Of zij Anna Toma was, de dochter van de vroedvrouw en de timmerman uit Sulyánbokor, een boerengehucht even buiten Nyíregyháza. De mysterieuze krijgsgevangene zou András Toma zijn, haar halfbroer. De cirkel was rond. DNA-onderzoek bij Anna en haar broer János die beiden dezelfde vader hadden als Bandi maar een andere moeder, maakte een eind aan iedere twijfel.

Als in de meest onwaarschijnlijke Amerikaanse serie werd de doodgewaande broer 56 jaar na dato weer teruggeschreven in het familieverhaal. ,,Eigenlijk ben ik me pas achteraf gaan realiseren dat we hem nooit helemaal dood hadden verklaard'', vertelt Anna nu. Er werd vaak over Bandi gesproken in het gezin Toma, maar er werd bijvoorbeeld nooit een grafsteen voor hem opgericht, zoals andere families van vermisten wel deden. ,,Om een of andere reden bleef er altijd een irrationeel gevoel bestaan, ik kan dat niet benoemen.''

Anna was een baby toen haar oudste broer de oorlog in moest, zelf nog een jochie met dons op de wangen. Het was het laatste oorlogsjaar. Het Rode leger kwam er aan. Ze waren dichterbij dan de Hongaren dachten. Bandi werd in Zuid-Polen opgepakt, ergens tussen KrakauB en Auschwitz. Hij maakte deel uit van een eenheid die een Duits voedseltransport begeleidde, ze waren even gestopt om lekkende meelzakken te controleren. Het was januari 1945.

De Hongaarse krijgsgevangenen werden in stampvolle veewagens naar de Sovjet-Unie gedeporteerd. Wekenlang doolden de veewagens rond over het zwaar beschadigde Russische spoor. De krijgsgevangenen stierven als vliegen, Bandi moest slapen op de lijken van zijn kameraden. Ze stopten uiteindelijk bij een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Leningrad. Daar werd Bandi, András Toma, formeel ingeschreven als krijgsgevangene. Zijn familie kreeg zelfs officieel bericht. Maar daarna raakt hij zoek. In Sulyánbokor, het boerengehucht waar de familie Toma woonde, kwam nog één bericht van de sovjetautoriteiten: de krijgsgevangene is weg, onbekend waarheen.

Bandi kan niet praten over de 56 jaar dat hij zoek is geweest. De reis in de veewagen te midden van dode kameraden is volgens psychiater Veér zo traumatisch geweest dat hij `gek' is geworden. Na het kamp in Leningrad heeft hij een paar jaar in een werkkamp in Siberië gezeten, daarna stopten de Russen hem in een psychiatrische inrichting.

Negentien directeuren versleet Bandi in de inrichting in Kotjelnitsj. Jaar in jaar uit tekenden ze mechanisch de medische rapporten: `behandeling voortzetten'. De krijgsgevangene weigerde iedere medewerking. Hij nam de fictieve naam `Irsai' aan – waarschijnlijk ontleend aan een riviertje dat hij ergens gekruist heeft – sprak met niemand en at voor zover dat werd toegelaten alleen in een hoekje.

Hij wist niet dat de oorlog kort na zijn gevangenneming was afgelopen. Hij wist ook niet dat er nog vele tienduizenden andere Hongaarse en Duitse krijgsgevangenen als dwangarbeiders over gevangenkampen in de Sovjet-Unie verspreid waren. Hij wist ook niet dat deze krijgsgevangenen in de jaren vijftig allemaal naar huis gestuurd waren door de Russen. In zelfgekozen isolement bleef Bandi koppig zijn eigen oorlog voeren, terwijl in de buitenwereld Stalin, Chroesjtsjov, Brezjnev, Gorbatsjov, Jeltsin en Poetin elkaar opvolgden, het communisme plaatsmaakte voor de vrije markt en de trotse Sovjet-Unie in brokken uiteenviel.

Zevenenvijftig jaar later, in een vriendelijk boerenhuisje in Hongarije aan de rand van Nyiregyhaza, probeert Anna haar broer voorzichtig uit zijn isolement te pellen. Liefdevol en op haar gevoel. Zij heeft nog nooit een psychologisch handboek ingezien, maar weet dat het geen zin heeft vragen te stellen. ,,Vraag je hem iets, dan is het altijd: weet ik niet. Maar als ik gewoon een bak aardappelen naast hem neerzet, dan begint hij onmiddellijk te schillen.''

In het najaar van 2000 werd Bandi feestelijk bij zijn zus afgeleverd. In een militair ziekenhuis in Budapest was vastgesteld dat er eigenlijk niets met hem aan de hand was en dat hij geen verdere behandelingen behoefde. Hij werd eervol uit dienst ontslagen en kreeg een bescheiden vergoeding mee. Anna heeft alles precies vastgelegd. Op de foto's zien we een huis vol mensen, een uitgebreide feestmaaltijd en een schuw kijkende Bandi.

De volgende dag was iedereen vertrokken. Broer en zus bleven alleen achter. De vreugde sloeg om in een nachtmerrie. ,,Die eerste dagen wens ik niemand toe. Iedereen was weg. Mijn man was gaan werken. Op een gegeven moment hoorde ik dat Bandi wakker was. Ik ging kijken. Hij stond overeind op zijn krukken. Jas aan en pet op. Hij wilde weg. Ik probeerde uit te leggen waar hij was en dat ik zijn zuster was, maar ik kon toen niet tot hem doordringen. Het heeft me uren gekost om hem naar de badkamer te krijgen.''

De kordate vrouw krijgt tranen in de ogen als ze vertelt hoe ze die eerste ochtend met haar nors zwijgende broer heeft lopen zeulen. Er was geen enkel contact mogelijk. Totdat ze op het idee kwam om hem een kort briefje te schrijven: ik ben je zuster Anna en dit is jouw huis. ,,Vanaf dat moment is onze relatie langzaam beter geworden.'' Na een paar weken begon Bandi kleine dingen te repareren in huis. Het was voor Anna het bewijs dat hij haar, haar gezin en het huis begon te accepteren. Hij begon ook te huilen. Stapje voor stapje leerde Anna achter het pantser van Bandi te kijken, achter zijn dwangmatige herhalingen over zijn afgezette been en de maaltijd.

Er werd voor het eerst gelachen toen Anna probeerde ouderwetse stoofpotgerechten te bereiden waar haar broer om vroeg. Ze kende de gerechten niet en probeerde verschillende varianten. ,,Zie je wel dat je het kan'', plaagde Bandi toen ze eindelijk de juiste versie te pakken had.

Langzaam maar zeker begonnen ze in één wereld te leven. Ze keken samen naar oude foto's, herinnerden zich namen van vrienden en familie, maar allemaal van voor Bandi's gevangenschap. Over de Russische tijd spreekt Bandi met geen woord.

Op een avond zei Anna: ,,Bandi je hebt zo'n mooi handschrift, waarom schrijf je niet op wat je allemaal hebt meegemaakt?'' Bandi zweeg. Maar na een tijdje zei hij: ,,Schrijf jij maar'' en begon een brief aan hun lang overleden moeder te dicteren:

`Lieve moeder,

Hij werd weggeroofd naar Siberië.

Ze hebben zijn krachten gestolen.

De zon ziet alles.

Er is geen waarheid.'

In de wereld waar Anna Bandi opvangt zijn geen trauma-artsen, geen therapeuten en geen rampenplannen. Het is de wereld van een eenvoudige Hongaarse familie in het oosten van het land waar de salarissen laag zijn en de werkloosheid hoog. Anna's zoon werkt in de bouw in Frankfurt. Zijn vrouw zit met hun pasgeboren baby in de hoek van de kamer. Anna's echtgenoot staat op de markt met aardappelen. Zelf heeft ze de kost verdiend als kokkin bij een staatsbedrijf.

Het is de wereld waar het lot de baas is. Eeuwenlang trokken de verschillende legers hun sporen van vernietiging door dit deel van Europa: Hongaren, Oostenrijkers, Russen, Polen. Telkens weer trokken de plaatselijke jongens en mannen hun uniformen aan. Telkens weer kwamen ze als ze het leven niet gelaten hadden als andere mensen terug uit het oorlogsgeweld.

Bandi zit afgekeerd in zijn hoekje als Anna hun verhaal vertelt. Hij hoort alles en kijkt even argwanend over zijn schouder als hij zich niet bespied voelt. Bandi spreekt over zichzelf en zijn dierbaren in de derde persoon. Onlangs vroeg hij: ,,Leeft de timmerman eigenlijk nog?''

,,Waarom zeg je niet gewoon vader Toma'', had Anna gevraagd.

,,Dat mag je niet zeggen'', antwoordde hij angstig, ,,want dan komen de valse honden.''

Hij weigert zijn eigen naam András Toma te gebruiken. Anna's man die ook András heet noemt hij uitsluitend bij zijn achternaam Gabulya. Pijn of list? Bandi kan niet uitleggen waarom hij slechts indirect naar zijn familie verwijst. Het huis van zijn vader en moeder in Sulyánbokor, zijn geboortehuis tien kilometer verderop, noemt hij ,,het huis van de vroedvrouw en de timmerman.'' Diep op de achtergrond klinkt het gevoel door van de minderjarige soldaat die zijn familie niet wil verraden tegenover de vijand.

Anna probeert de echo's uit Bandi's zwarte verleden op te vangen. Ze heeft gemerkt dat haar broer altijd probeert naar de zon te kijken. Ze heeft begrepen dat de zon de afgelopen 56 jaar zijn enige vriend is geweest. Tactvol probeert ze aan zijn onuitgesproken verlangens te voldoen. Bandi wiegt zich in zijn hoekje in de tuin heen en weer in zijn rolstoel. Gevangen in zijn onuitsprekelijke verleden in de krijgsgevangenkampen en de psychiatrie van de Sovjet-Unie. Maar toch ook weer een heel klein beetje de oudste broer.

Onlangs lagen ze allebei in het ziekenhuis. In kamers tegenover elkaar. Bandi kwam om de paar minuten op zijn rolstoel binnenzetten om te controleren of Anna er nog was. Toen hij zag dat een verpleegster bezig was bloed af te nemen, barstte hij in tranen uit en sloeg alarm: ,,Ze stelen haar bloed! Ze stelen haar bloed!''

    • Renée Postma