ALTIJD AL EEN MANNENBOLWERK

Internationalisering, bedrijfsponsoring en beroepsopleidingen. Veel van de huidige universitaire trends hebben oude wortels, zo blijkt uit de geschiedenis van de Universiteit Utrecht

Elke zichzelf respecterende Nederlandse universiteit laat zich met enige regelmaat door een historicus beschrijven. Over de Katholieke Universiteit Nijmegen verscheen in 1998 een ruim 900 pagina's tellend overzichtswerk: `Proeven van eigen cultuur'. De Leidse hoogleraar Universiteitsgeschiedenis Willem Otterspeer schrijft over `zijn' Alma Mater de vierdelige serie Groepsportret met Dame. Karel Veraghtert beschrijft momenteel de recente geschiedenis van de Katholieke Universiteit Brabant. En ook aan de Universiteit van Amsterdam is een project geschiedschrijving in uitvoering.

Ook aan de universiteit met de meeste studenten krijgt nu het eigen verleden wetenschappelijke aandacht. Als één van de projecten van de Commissie Geschiedschrijving van de Universiteit Utrecht verscheen kortgeleden bij gelegenheid van het 365-jarig bestaan het prachtig geïllustreerde boek Kennis als opdracht van de hand van Hervé Jamin. Op basis van de bestaande literatuur heeft hij in kort bestek een toegankelijke studie samengesteld die de gehele periode van het bestaan van de Universiteit Utrecht beslaat, inclusief de lange aanloop daar naartoe.

Al vroeg ontstonden in de stad verschillende vormen van onderwijs, maar ondanks diverse pogingen tot oprichting (1470, 1580 en 1595-1603) bleef een academie ontbreken. Het grote voordeel van een universiteit is dat deze, in tegenstelling tot kapittel- of stadsscholen, juridisch beschermd werd tegen bemoeienis van lokale gezagsdragers. Dat de universiteit er in 1636 toch kwam, was te danken aan een samenloop van omstandigheden. Zo beschikte het Utrechtse stadsbestuur, door het buiten gebruik stellen van het stedelijk tuchthuis over voldoende gebouwen en geldmiddelen om een `illustre school' te stichten, die in 1634 plechtig in gebruik werd genomen. Deze school kende een vliegende start, die slechts voor een deel is toe te schrijven aan de uitstraling van de aangestelde hoogleraren (waaronder Voetius). Jamin wijst vooral op het feit dat Leiden in 1635 zwaar getroffen werd door de uitbraak van de pest, waardoor veel studenten onderdak in Utrecht zochten. Reeds na twee jaar werden met succes onderhandelingen met de Staten van Utrecht gestart om de illustre school te verheffen tot universiteit.

Het is verbazingwekkend hoe veel in de loop van de tijd hetzelfde is gebleven en ook hoeveel kenmerken en eigenschappen uit vroeger tijden later weer terugkeren. Gelet op haar verleden is het bijvoorbeeld niet vreemd dat de Universiteit Utrecht zich internationale allures aanmatigt. Toen rector magnificus J.A. van Ginkel in 1989 de Utrechtse universiteit `het toekomstige Berkeley van Europa' noemde, werd hem megalomanie verweten. Uit Kennis als opdracht blijkt echter dat deze uitspraak wortels heeft die ver terug in de tijd gaan.

In de periode 1701-1761 waren buitenlandse professoren aan de Utrechtse academie zelfs in de meerderheid. Voor een deel in het kielzog van hun docerende landgenoten, maar voor een deel ook aangetrokken door het weinig despotische staatsbestel, schreven veel buitenlandse studenten zich in de Domstad in. Tussen 1675 en 1724 was Utrecht zelfs goed voor een kwart van de buitenlandse promoties in de Republiek. Dit percentage had veel groter kunnen zijn, maar de curatoren stelden hoge eisen aan de studenten. Iets gemakkelijker ging het er in het naburige Harderwijk aan toe, waar een buitenlandse student soms al na het verblijf van enkele dagen kon promoveren.

Een belangrijk verschil is dat waar nu in een deel van de colleges Engels de voertaal is, tot 1876 het Latijn de voertaal was.

Ook wat betreft de reden waarom de gemiddelde student ging studeren, lijkt het erop dat nu de slinger van de pendule op ongeveer hetzelfde punt hangt als in de vroegmoderne tijd. Na een tijd waarin zo'n breed mogelijke algemene vorming het hoofddoel van de opleiding was (de uomo universalis), ging vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw de student steeds vaker studeren om snel toegerust te worden met kennis en eventueel de titel om een bepaald beroep te kunnen uitoefenen of een politiek ambt te bekleden. Jamin maakt duidelijk dat de maatschappelijke discussie over het doel van een universitaire studie bijna onafgebroken gevoerd werd. Het mag de huidige beleidsmakers tot troost strekken dat hun voorgangers evenmin tot een pasklaar antwoord kwamen.

Een andere trek die de huidige universiteit gemeen heeft met de alma mater van weleer, is dat de universiteit gezien vanuit het perspectief van het personeelsbestand nog steeds een mannenbolwerk is. Pas in 1880 werd in Utrecht de eerste vrouwelijke student ingeschreven. Catharine van Tussenbroek studeerde in korte tijd cum laude af in de medicijnen, maar een wetenschappelijke carrière zat er toen voor vrouwen nog niet in.

Met name de medische en wis- en natuurkundige faculteiten maakten vanaf 1875 een sterke groei door. Het rekenwerk dat Jamin heeft uitgevoerd, wijst uit dat de vrouwen – naast de voor de hand liggende studierichting 'wijsbegeerte en letteren' – vooral kozen voor de exacte wetenschappen. Hij verklaart dit uit het gunstige toekomstperspectief van deze vakken in het middelbaar onderwijs en uit de vrouwvriendelijkere omgeving van de nieuwe faculteiten waar men minder gehinderd was door de traditie. Bij de `oude' faculteiten rechten en theologie waren vrouwelijke studenten blijkbaar minder welkom.

De auteur van Kennis als opdracht maakt zich echt boos over de langdurige en openlijke achterstelling van vrouwen. Zelfs op de laatste pagina van dit boek is de jammerklacht nog te lezen. ``Het meest in het oog springende probleem waarmee de universiteit geconfronteerd wordt, is wellicht het zeer geringe aandeel vrouwelijke wetenschappers. Terwijl vrouwen nu 57 procent van de Utrechtse studenten uitmaken en er veel vrouwelijke docenten zijn, blijft het hooglerarenkorps nog steeds een mannenbolwerk. Voor iedereen, die de wetenschap als een van de fundamenten van een democratische samenleving ziet, kan dit niet als bevredigend ervaren worden.'

Waar Jamin de gang van zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog bespreekt, getuigt hij nog openlijker van zijn engagement en trekt hij zelfs de rechtertoga aan om enkele verantwoordelijke bestuurders en slippendragers alsnog te veroordelen. Des te opvallender is de koele en afstandelijke toon waarop hij een ander punt van continuïteit in de geschiedenis van de Utrechtse universiteit bespreekt, namelijk de financiering van leerstoelen door het bedrijfsleven. In Utrecht werd daarmee al vroeg ervaring opgedaan. In 1924 ging een door het bedrijfsleven, met de Koninklijke Shell als belangrijkste sponsor, bekostigde indologische opleiding van start. Dit initiatief werd met name ingegeven door de bij het bedrijfsleven levende onvrede over de rol die de Leidse ethische school speelde bij het ontkiemende nationalisme in het toenmalige Nederlands Oost-Indië. In de nieuwe opleiding zou in geen van te volgen richtingen onverdeelde sympathie gekweekt mogen worden voor de lotgevallen van de Indische autochtonen. Waar Jamin in vergelijkbare gevallen geen blad voor de mond neemt, schrijft hij in dit verband dat de 'wetenschappelijke kwaliteit lijkt niet geleden te hebben onder de selectie waarmee het Indische bedrijfleven zich beschermde tegen ongewenste (lees: socialistisch georiënteerde) hoogleraren en lectoren'. Even verderop beweert hij dat de Indologische faculteit positief heeft bijgedragen aan de kennis van de Indische cultuur.

Het wekt dan ook geen bevreemding dat, wanneer het laatste decennium het onderwerp van beschouwing is, de auteur nauwelijks of geen bedreigingen ziet in de steeds belangrijker wordende rol van het bedrijfsleven in het onderwijs en onderzoek. Het is ontnuchterend te moeten lezen dat de samenwerkingsverbanden in met name de biomedische hoek heel wat verder gaan dan de gangbare derde-geldstroomcontracten. Dat het marktdenken definitief in de academische wereld is doorgedrongen, blijkt bijvoorbeeld uit het bestaan van de Holding Universiteit Utrecht BV. Als deze tendens zich doorzet - de tekenen wijzen erop dat de universitaire wereld de ingeslagen weg wil en zal voortzetten - dan zal een volgend gedenkboek wellicht verschijnen onder de titel Kennis in opdracht.

H. Jamin (m.m.v. M. Huisman), Kennis als opdracht. De Universiteit Utrecht 1636-2001 (Utrecht, 2001) 224 blz.; ISBN 90 5345 188 9; prijs ƒ59,95.

    • Cor van der Heijden