Woodward vs. Hersh

Tot nu toe staan de belangrijkste journalistieke onthullingen over de oorlog in Afghanistan op naam van twee oude rotten in het vak: Woodward en Hersh.

Bob Woodward en Seymour Hersh zijn de reuzen van de Amerikaanse journalistiek. Woodward is vanzelfsprekend het meest bekend als de man die samen met Carl Bernstein het Watergate-schandaal onthulde en Hersh werd beroemd met zijn ontdekking van het bloedbad in My Lai waarbij Amerikaanse soldaten in 1968 honderden ongewapende Vietnamese burgers vermoordden.

Maar dat was dertig jaar geleden. Het feit dat deze twee nogmaals voor verrassingen zorgen, mag opmerkelijk worden genoemd. Vooral Woodward kwam de laatste jaren als een dinosaurus over. In zijn veelvuldige optredens bij CNN's Larry King zat hij erbij als een uitgebluste man. Alsof zijn huizenhoge reputatie hem tot last was.

Feit is dat zijn journalistieke werk nooit echt opzienbarend meer was. Ook Hersh had het de laatste jaren niet makkelijk. Zijn boek over president Kennedy, The Dark Side of Camelot, werd weinig enthousiast onthaald en zijn onthullingen over een Amerikaanse generaal die enkele dagen na de wapenstilstand in de Golfoorlog alsnog een grootscheepse aanval op het Iraakse leger uitvoerde werden door menigeen betwist.

Dankzij de oorlog in Afghanistan kunnen beide journalisten echter bewijzen dat ze verre van afgeschreven zijn. Woodward, die nog altijd voor The Washington Post werkt, wist belangrijke documenten van de vliegtuigkapers te achterhalen en meldde als eerste dat de overheid de daders van het miltvuurterrorisme zoekt onder binnenlandse extremisten.

Hersh onthulde voor het tijdschrift The New Yorker dat de Amerikaanse overheid plannen heeft ontwikkeld om – indien nodig – het nucleaire arsenaal van Pakistan onklaar te maken. Hij deed uit de doeken dat de CIA tegenwoordig door bureaucraten wordt geleid en dat dat de reden is dat de dienst de aanvallen van 11 september niet had zien aankomen. En hij schreef over de corruptie onder de machthebbers van Saoedi-Arabië.

Sinds Watergate worden de twee journalisten als aartsrivalen beschouwd. Maar afgezien van het feit dat ze beiden onderzoeksjournalist zijn die het falen van de overheid tot hun belangrijkste speerpunt hebben gemaakt verschillen de twee mannen als dag en nacht. Woodward is een aimabele, keurig verzorgde man. Hij drukt zich in heldere zinnen uit en is derhalve een geliefd televisiecommentator. Hersh is het prototype van hoe Hollywood een onderzoeksjournalist afbeeldt: haar in de war, verfomfaaide kostuums en gaten in zijn sokken. Als hij al eens op televisie verschijnt, dan bruuskeert hij de ondervrager door zijn minachting voor domme vragen niet onder stoelen of banken te steken.

Belangrijker echter is hun verschil in werkwijze. Woodward werkt graag en veel samen met collega's en is niet te beroerd de credit voor zijn werk te delen met anderen. Sinds Watergate heeft hij toegang tot hooggeplaatste individuen die maar al te graag hun hart bij hem uitstorten. Of in de woorden van David Corn, criticus van het linkse weekblad The Nation: ,,Woodward is de officiële huisjournalist van de elite''. Hersh daarentegen is een einzelgänger die zijn bronnen juist zoekt in het lagere echelon. Zijn onbeschofte optredens zijn legendarisch: hij schijnt zijn bronnen het vuur zó na aan de schenen te leggen dat ze vaak ongewild hun geheimen prijs geven.

Waar Woodward wil weten wat de overheid in het geheim doet, is Hersh geïnteresseerd in wat de overheid verkeerd doet. Je zal hem nooit aantreffen op een persconferentie – sinds Vietnam heeft hij een niet uit te roeien wantrouwen jegens elke officiële instantie – en hij zal nooit de uitspraken van woordvoerders klakkeloos aannemen.

Het zal dus niet verbazen dat vooral Hersh erg gehaat is onder machthebbers. Opmerkelijk genoeg komen beiden wel vaak tot dezelfde conclusies. Over één ding zijn ze het in ieder geval eens: net als in alle andere oorlogen is er in deze oorlog meer dat we niet weten dan wel.

    • Jeroen van Bergeijk