Verbonden met al het omringende

`Geen woning, geen kroning.' Onder die leuze brachten op 30 april 1980 krakers en andere ontevreden burgers de nodige opschudding teweeg in Amsterdam.Het was de dag waarop Beatrix tot koningin werd gekroond. Tot in de Nieuwe Kerk, waar de inhuldiging plaatshad, drongen de protestgeluiden door, ondanks pogingen van de politie om de onlusten zo snel mogelijk te dempen. De kroning ging er wel om door, maar een gezellig Oranjefeest zou het niet worden.

Bijna negentig jaar eerder had zich iets soortgelijks kunnen voordoen tijdens en na afloop van de kroning van Wilhelmina, als wij Gerrit Komrij mogen geloven. Toen zij op 6 september 1898 werd ingehuldigd, eveneens in de Nieuwe Kerk, had `de werkende stand' de orde willen verstoren, om de aandacht te vestigen op zijn vele ongenoegens. In De klopgeest, zijn eerste maatschappelijk georiënteerde, historische roman, werkt Komrij langzaam maar zeker toe naar de kroningsdag van `die gekooide pop met haar poppenhaar'. Maar op de dag zelf zwaaien alle mensen, ook de arbeiders, gehoorzaam met oranje vlaggetjes en staan ze uren te wachten om een glimp op te kunnen vangen van de 18-jarige Wilhelmina en haar moeder in de gouden koets. De suggestie wordt gewekt dat een aantal potentiële oproerkraaiers al preventief was opgepakt, zoals men dat tegenwoordig wel doet met relschoppers en voetbalsupporters van wie men moeilijkheden verwacht. Maar het is ook mogelijk dat de werklieden, ondanks alle voorafgaande actievergaderingen, hun idealen even waren vergeten en in de ban raakten van andere, monarchistische gevoelens.

Hector, de hoofdpersoon van De klopgeest, is enigszins ontgoocheld door deze anticlimax. Hij had zich verheugd op de aangekondigde protestoptocht. De ontevreden arbeiders ziet hij als een soort levende klopgeesten: een legertje van onderdrukten en verschoppelingen dat in opstand komt tegen de gevestigde orde, tegen de normale gang van zaken ook. Hij houdt van leven in de brouwerij. Hij is een typisch Komrij-personage: een dandy-achtige jongeman zonder duidelijke eigenschappen, principes en standpunten, die zijn ogen en oren steeds goed de kost geeft en zich nu eens bij de ene, dan weer bij de andere partij aansluit, zoals het hem uitkomt.

Het liefst flaneert Hector door de stad, in zo kreukloos mogelijke, nette kleding. Hij woont in de stinkerige Nes, boven een morsig café, maar voelt zich er op zijn gemak tussen het schorriemorrie. Zoals hij ook graag door de nieuwe villawijk in Zuid wandelt, waar hij als medium, als spiritist, aan de kost probeert te komen. Met behulp van allerlei trucs en geheime hulpmiddelen, met veel smaak en droge humor beschreven, houdt hij séances: hij brengt mensen onder hypnose, laat tafels dansen en roept geestverschijningen op. Hij treedt op voor sensatiebeluste, veeleisende dames en heren. Het medium hoeft maar een enkel foutje te maken dat de collectieve trance doorbreekt, of hij vliegt er onherroepelijk uit.

Toekomstvisioenen

Komrij roept hier met veel couleur locale twee werelden op. Aan de ene kant is er de tastbare wereld van villawijken en achterafsteegjes, rijke stinkerds en arme sloebers, machthebbers en ondergeschikten. Aan de andere kant is er de onzichtbare wereld van de geest, van de idealen en de toekomstvisioenen. Tot die onzichtbare wereld voelt Hector zich onweerstaanbaar aangetrokken. Hij kan niet aanvaarden dat er alleen maar een saai en alledaags hier en nu zou zijn, waarin de dienst wordt uitgemaakt door de wanstaltige matrones en de schijnheilige heren die hij met zijn séances bedient. Hoewel hij niet echt gelooft in een betere wereld, of in vooruitgang in het algemeen, laat hij zich graag meeslepen door mensen die sociaal geëngageerd zijn, door George onder anderen, die hij tijdens een van zijn stadswandelingen ontmoet. George predikt een nieuwe, rechtvaardige wereld waarin een nieuwe, Gorteriaanse mens zal opstaan, met nieuwe gedachten, die zich zal hebben bevrijd van `de gesel van de knechtschap.' Het zijn niet zozeer deze denkbeelden die hem aanspreken, maar het is de vriendschap zelf, met een bevlogene, die hem als het ware optilt uit het zompige leven van alledag. Om George en diens kameraden gunstig te stemmen, wil hij zijn leven best in dienst stellen van de goede zaak. Voor de liefde die vriendschap heet is hij bereid offers te brengen, zijn leven desnoods in de waagschaal te stellen. En natuurlijk komt hij dan tenslotte bedrogen uit. George blijkt er een andere opvatting over vriendschap op na te houden dan hij, die er pure schoonheid in ziet.

Volksschrijver

In de verte doet De klopgeest wel wat denken aan Publieke werken van Thomas Rosenboom, dat zich in hetzelfde roerige tijdperk afspeelt, voor een belangrijk deel ook in het zich snel uitbreidende Amsterdam. Maar waar Rosenboom het moet hebben van de diepte, zoekt Komrij het vooral in de breedte.Hij scheert over het menselijk leed heen, terwijl Rosenboom er bij wijze van spreken tot bloedens toe in rondspit. Publieke werken is een rijkere roman omdat hij emotioneel, stilistisch, psychologisch en historisch doorwrochter is.

Daarmee wil allerminst gezegd zijn dat De klopgeest een flutroman zou zijn, zonder substantie of diepgang. Het is een heel ander soort boek. Luchtiger, lichter, doorzichtiger, vrolijker, veel minder beklemmend ook. Er lijkt hier minder op het spel te staan dan bij Rosenboom, al is het wel Komrijs meest gewaagde roman tot dusver. Hij was al Dichter des Vaderlands, maar lijkt zich nu ook te ontwikkelen tot een soort Volksschrijver, onthecht en betrokken tegelijk, met een brede, geamuseerde blik op het verleden.

Komrij biedt veel mooie en interessante stadsgezichten. Hij leidt ons langs voddenmarkten, door stegen en achterbuurten, door de Jordaan en door de Pijp, waar arme mensen zich proberen op te werken, langs stinkende grachten en door het `cordon sanitaire' dat is opgetrokken tussen het rijke Zuid en de Pijp, beter bekend als het Vondelpark. Ook laat hij ons getuige zijn van veel levendige taferelen: geflirt met dienstmeisjes, opstootjes in cafés, steelse bezoeken aan minderjarige hoertjes, de beraadslagingen van een stel boeven en van gesprekken over toen actuele onderwerpen als het vrouwenkiesrecht, onzichtbare radiogolven en de invloed van elektrisch licht op de schilderkunst.

Komrij beschrijft in De klopgeest een eind 19de eeuwse wereld-in-beweging. Er is van alles tegelijk gaande en de opwinding is groot, al lijkt er uiteindelijk nog niet zo heel veel te veranderen. Voor zijn hoofdpersoon zit er niets anders op dan terug te keren naar het leven dat hij leidde vóór zijn kortstondige revolutionaire bevlieging. Hij zal weer met alle winden gaan meewaaien en her en der wat graantjes meepikken. Hij is een illusie armer. Het is hem niet gelukt zich blijvend te binden aan één persoon en daarmee aan een duidelijk doel of ideaal. Hij zal weer moeten proberen zich tevreden te stellen met een gevoel van verbondenheid met al het omringende. Want hij weet zich, flanerend door Amsterdam, onderdeel van een of ander geheel, hoe ongrijpbaar of onbenoembaar ook. `Mij bevangt het warme gevoel', zo overpeinst hij tijdens een van zijn nachtelijke dwaaltochten, `dat ik in een stad mag zijn die alles en iedereen omhelst en die de zonderlingste atomen in haar baan houdt.'

Komrij heeft met De klopgeest troost willen bieden aan iedereen die is zoals zijn Hector: niet in staat om in een groep of partij op te gaan, maar wel hakend naar gezelschap. Ook voor de meest afwijkende eenling, zo lijkt hij te willen zeggen, is het mogelijk zich opgenomen te voelen, in een prettig vrijblijvend verband.

Gerrit Komrij: De klopgeest.

De Bezige Bij. 240 blz. ƒ39,90

    • Janet Luis