Tussen het ik en de wereld

`Een gedicht is een manier van leven, even noodzakelijk als ademen', zei Leonard Nolens eind 1993 in een interview in de Belgische krant De Standaard. Kort daarna nam de dichter de Belgische Staatsprijs voor Poëzie in ontvangst. Toen hij in 1997 ook de Nederlandse Huygensprijs kreeg, was zijn plaats in de literaire canon verzekerd. Inmiddels ligt Nolens' dertiende dichtbundel in de boekhandel en die heet – als om te bewijzen dat hij trouw is aan zijn eigen poëtica – Manieren van leven.

`Belijdenispoëzie' lijkt een etiket dat zich makkelijk op het werk van deze dichter laat plakken. Zijn poëzie is ook zeker verwant aan het `confessional verse' dat W.D. Snodgrass (met Heart's Needle) en Robert Lowell (met Life Studies) in 1959 in de VS op de kaart zetten. Maar, los van de literaire ontwikkelingen in de decennia die sindsdien zijn verstreken, is er een wezenlijk verschil tussen de belijdenissen van Nolens en die van zijn overzeese voorgangers.

Zo middelpuntzoekend als de vroege poëzie van Snodgrass en zijn epigonen was, zo centrifugaal is het werk van Leonard Nolens bedoeld. Veel van zijn verzen lijken nog altijd een uiting van zelfonderzoek, maar met het resultaat daarvan verlangt de dichter contact met de rest van de wereld.

`In feite wil ik dag en nacht met mensen samenzijn', betoogde hij in zijn dagboekaantekeningen in Blijvend vertrek (1993). `Maar dan kan ik niet meer schrijven. En als ik niet schrijf, word ik gek. Dus probeer ik schrijvend dag en nacht met mensen samen te zijn.'

Tot welk een gespletenheid zo'n opvatting gedoemd kan zijn, blijkt herhaaldelijk in Manieren van leven. Het gedicht over `De kapitein van de Koersk' is wel in de ik-vorm geschreven, maar staat ver van belijdenispoëzie. In dit vers graaft Nolens niet in zijn eigen hart, maar kruipt hij in de huid van een in de dood berustende officier: `Niemand van ons kan naar boven./ Ik zeg dit op de tast./ Ik kerf dit in de bodem/ Van een dronken wrak.' De dichter en de kapitein worden niet één: de dichter is en blijft toeschouwer.

Nolens weet dat, dus gaf hij deze zeeman een plek in `Kijkgat', een reeks gedichten waarin de burgerman, de verlegene, de drinker en de vluchteling – de een met mededogen, de ander met walging – op afstand tekst krijgen. In de vier andere reeksen in Manieren van leven is de toon evenzeer wisselend, maar liggen onderwerp en dichter nauwer opeen. Ook wanneer het onderwerp in de tweede persoon is verwoord, zoals in `Niets':

Je weet niet wat er is. Je bent gestruikeld

In je slaap, een zon heeft je geslagen

Om de hoek en je koopt blind een brood,

Verdwaalt. De straat gaat met je op de loop.

Een vreemde brengt je thuis, het is je vrouw

Die napraat over je begrafenis.

Je lag te roken in je kist, zegt zij,

En pakt een pan en bakt je dode hart.

Je weet niet wat er is. Je zit al dagen

Als een schaduw van je schaduw thuis.

De dokter komt, betokkelt je contouren

En vindt niets. Je bent het met hem eens.

`Een vreemde brengt je thuis, het is je vrouw.' Hoe thuis is `thuis' dan nog? Dat is een vraag die bij herhaling terugkeert in de poëzie van Nolens – zoals in de stokregel van `Engagement': `Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?'

Of zo'n hypochondrisch vers als `Niets' echt bijdraagt aan het contact tussen de dichter en de rest van de wereld (welke dan ook) valt te betwijfelen. De sombere grondtoon van zijn werk is Nolens al herhaaldelijk nagedragen. Ook in Manieren van leven wordt veel leed, al dan niet tussen de regels door, geëtaleerd. Melancholie, zoals in `Tristitia': `Er was een tijd dat ik geloofde in mijn tijd.' Gepijnigd mededogen, zoals in `Klokslag': `Er was een tijd dat een vader mij sloeg.' Of razende radeloosheid over de schepping waarvan mensen deel uitmaken, zoals in het gedicht `Kok':

Hier zijn wij nu na lief en leed

Van lieverlede aangeland, dus hier

In die dakloze misbak, dat vluchtkasteel,

Die slordige kubus van opgebrand licht

Met daar, diep in zijn pikzwarte hart,

Een wereldwijd gereserveerde tafel

Zonder stoelen, zonder ons.

Hier zijn wij nu wit vlees

Dat bloot en naamloos circuleert.

Ontzoende wangen. Oren naar niks

Dan vervliegende kamers en gangen.

En daar verschijnt die halfgare god

Van een kok, ontbeent ons, pekelt

En pepert en kwakt ons schaterlachend

In zijn bodemloze snelkookpan.

En raaskallend roert hij ons om

Tot deze ratatouille niet te vreten.

Ik, je en wij. Naamloos in liefde, maar vaak ook in argwaan of haat verbonden zijn ze de sleutelpersonages in Manieren van leven.

Nolens weet nu al dertien bundels lang boeiend vorm te geven aan de breekbare relatie tussen ik en de ander. Virtuoos, maar nooit maniëristisch, brengt hij wat hem op de tong ligt in bezield verband. Maar alle samenhang ten spijt, het raadsel dat aan elk vers ten grondslag ligt blijft intact. Wanneer hij, zoals in de cyclus `Onderduikadres', een verloren geliefde tot onderwerp neemt, en haar aanspreekt in een poging tot verzoening, vallen verdwalen en aankomst samen in de slotregel van het laatste vers: `Verdwaald. Jij bent mijn adres.'

Dezelfde paradox ligt al in de titels van de vijf gedichten van deze cyclus besloten, en vooral ook in de volgorde daarvan. Wie, waar, wanneer, waarom en hoe zijn vragen die elke prozaïst voor zichzelf beantwoordt eer hij zijn verhaal op papier zet. Maar Nolens is geen prozaschrijver. Hij is een dichter voor wie `Wie?' doorgaans wel de eerste vraag is, maar uiteindelijk ook de laatste. Dus kiest hij voor een rangschikking die met `waar' begint en met `wie' besluit.

Manieren van leven is de consequente voortzetting van een oeuvre. Dat blijkt ook uit de cyclus `Bres III', die aansluit op eerdere gelijknamige reeksen die stonden in de bundels En verdwijn met mate (1996) en Voorbijganger (1999). `In onszelf is er een zee die niet kan zwijgen,' schreef Leonard Nolens twee jaar geleden, en die regel was een echo van eerdere uitingen dat hij niet anders kan dan schrijven.

Dat heet `A poet with a cause,' in het Engels. Robert Lowell was het in de Verenigde Staten. In de Nederlandse poëzie heeft Nolens inmiddels een zelfde eenzame hoogte bereikt.

Leonard Nolens:

Manieren van leven. Querido,

96 blz. ƒ42,97 (geb.) ƒ19,50