Thorbecke, red ons

Goed, er wordt dus geen strijd gevoerd tegen de islam. Hoe vaak hebben westerse leiders sinds 11 september niet gezegd dat de islam een vredelievende godsdienst is en dat er slechts actie wordt ondernomen tegen het terrorisme. Om de goede bedoelingen te onderstrepen togen ze allemaal naar de moskee. Nooit eerder mochten moskeeën op zo'n belangstelling van politici rekenen als de afgelopen maanden.

Leidende politici konden vanzelfsprekend ook niet anders dan warme woorden spreken over de islam. Stel dat iemand als minister-president Kok had gezegd dat de islam wèl het probleem was; dan zou hij 600.000 in Nederland woonachtige moslims hebben geschoffeerd. Dit soort zaken leent zich niet voor generalisaties. Net zomin als er sprake is van hét christendom is er sprake van dé islam.

Maar is hiermee alles gezegd? Salman Rushdie schreef in The New York Times (het stuk stond vorige week in Vrij Nederland) dat het natuurlijk wel om de islam gaat, maar dat de vraag is wat dat precies betekent. Hij beschrijft de ontwikkeling van het moslimfundamentalisme in een aantal landen en concludeert dan: ,,die paranoïde islam, die alle ellende van de moslimmaatschappijen wijt aan buitenstaanders, `heidenen', en die als remedie voorstelt deze maatschappijen af te sluiten voor de concurrentie van het project moderniteit, is op het ogenblik de snelst groeiende versie van de islam ter wereld''. Er is volgens Rushdie dus wel iets gaande.

Een soortgelijke analyse staat te lezen in een deze week verschenen rapport van de aan de VVD gelieerde Teldersstichting over de extremistische variant van de islam. Hierin stelt onderzoeker M. Wessels dat van de twee grote in Nederland aanwezige islamitische bevolkingsgroepen (Turken en Marokkanen) ,,weinig extremisme'' hoeft te worden gevreesd. Maar tegelijk beschrijft hij een aantal incidenten die weliswaar niets met extremisme te maken hebben, maar wel duiden op een afkeer van de westerse maatschappij. In dit kader noemt hij Marokkaanse imams bij wie sprake is van ,,een grote discrepantie tussen het zeer behoudende gedachtegoed dat zij uitdragen en de realiteit van de Nederlandse samenleving''.

Een bijkomend probleem is volgens Wessels dat deze behoudende imams vaak vertolkers zijn van een versie van de islam die zeer nadrukkelijk het stempel draagt van een bepaalde overheid. Hij stelt de vraag hoe dit zich verhoudt met het in Nederland beleden principe van vrijheid van godsdienst, dat juist afstand creëert tussen overheid en godsdienst. Is het wenselijk dat ,,buitenlandse overheden via de door hen gereguleerde godsdienstige richtingen substantiële invloed uitoefenen op de godsdienstige beleving hier?'', aldus Wessels.

Wenselijk is het misschien niet, maar het heeft verder niets te maken met de afstand tussen kerk en staat. Het is dat de Nederlandse katholieken zo eigenzinnig zijn, want anders zouden zij zich laten leiden door het Vaticaan. Bij de vrijheid van godsdienst hoort ook de vrije invulling van die godsdienst. Het probleem begint pas als die godsdienst zich met onze overheid gaat bemoeien. Daarover schreef de liberale staatsman Thorbecke al in 1837 behartigenswaardige woorden: ,,Ik belijd den meest volkomen eerbied voor gewetensvrijheid die zich niet onder het deksel van het heil der ziel of van de zaak van god te voeren, onwettige handelingen veroorlooft''.

Dit is ook de stelling die Rushdie aan het slot van zijn artikel over het `islamisme' betrekt. Om het terrorisme te verslaan zal de wereld van de islam zich moeten openstellen voor de seculier-humanistische beginselen. Rushdie: ,,De godsdienst moet weer naar de privé-sfeer, moet weer worden gedepolitiseerd en alle moslimmaatschappijen zullen om modern te worden door die zure appel heen moeten bijten.''

Dit is geen strijd die alleen in de verre moslimlanden gevoerd moet worden. Want ook voor de vele nieuwkomers in Nederland is de scheiding tussen kerk en staat helemaal niet zo'n vanzelfsprekendheid. De uitlatingen van imams over bijvoorbeeld homoseksuelen zijn inmiddels zo talrijk dat nauwelijks meer gesproken kan worden van incidenten.

Een typisch Nederlands verschijnsel is dat `omwille van de lieve vrede' veel dingen onbenoemd blijven dan wel niet gezegd worden. We zijn immers tolerant. Maar het heeft er wel toe geleid dat een behoorlijke dosis onverdraagzaamheid van imams tot SGP-voorzitters de samenleving is binnengeslopen. Generaliseren is gevaarlijk, maar hetzelfde geldt voor het negeren, dat voortkomt uit een misplaatst cultuurrelativisme.

Nee, we voeren geen strijd tegen de islam. Maar we dienen wel een strijd te voeren tegen het aantasten van de beginselen waarop onze samenleving is gebaseerd. Dat betekent dat heel duidelijk gemaakt moet worden waar de grens tussen het privé-domein van de godsdienst en de openbare ruimte zich bevindt. Die grens moet ook krachtig bewaakt worden. Want dat die scheiding geen vanzelfsprekendheid meer is, heeft de recente discussie over het al dan niet toelaten van hoofddoekjes in de rechtszaal nog eens bewezen.

Natuurlijk zijn er politieke gelukzoekers die met het schrikbeeld van het islamisme proberen electoraal gewin te halen. Maar dat mag nooit een reden zijn, het debat over sommige uitingen van de islam voorzover zij het openbare leven betreffen daarom maar niet te voeren. In 1851 bestempelde Thorbecke de protestantse oppositie die fulmineerde tegen de verbanning van de kerk uit het staatsbestel als een `nagisting eener oude ziektestof zonder nieuw levensbeginsel'. Ook sommige uitingsvormen van de multiculturele samenleving kunnen beschouwd worden als `eene oude ziektestof'. Alleen, waar is de nieuwe Thorbecke om dat te zeggen?

    • Mark Kranenburg